Maandag, 27 juli, 2009

Geschreven door: Verbogt, Thomas
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Verdwenen tijd

Zachtmoedig zekerheden afbreken

Dat schuldgevoel dat Robert van Noorden inmiddels zo sterk bepaalt, dat heeft hij lang niet gekend. Wat is dat, schuld, had hij ooit zijn vader moeten vragen. Nu ligt zijn vader op sterven en duiken er mensen op, vrouwen, aantrekkelijke vrouwen, die hem op een vergeten verleden wijzen. Het verhaal van Thomas Verbogts Verdwenen tijd is er een van een gevoel dat niet te duiden is, de dubbeldikke thematiek van vergeten, herinnering, schuld – je zou er jeuk van krijgen . Maar een boek is meer dan verhaal, en de manier waarop Verbogt zijn verhaal doet en zijn personage laat leven, aftastend, ómschrijvend staat garant voor verrassing, en schept een sfeer van een bedriegelijke lichtheid.

Een deel van die lichtheid is bedoeld, onverhuld, door de hoofdpersoon . Deze kunsthistoricus die pratend hoofd op de tv geworden is, een intellectueel die tegen betaling leuk doet, is uiterst laconiek over zijn leven. Hij is iemand die zonder blikken of blozen zegt over zijn vrijgezellenleven dat hij ‘niemand meer in de steek wil laten’, en die zijn onbedoelde maar niet-geweigerde BN-erschap wijt aan zijn ‘ongeschiktheid’.

‘“Het is echt heel behoorlijk,” zegt Helen.
“Fantastisch,” zeg ik.
Het is even stil tussen ons.
“Waarom doe je het?” vraagt Helen.
“Wat?”
“Dit allemaal. Wat ik ook doe. De clown uithangen.”
“Ongeschiktheid,” zeg ik. “Het heeft met ongeschiktheid te maken.” Even schrik ik van mijn woorden.’

Het zijn woorden die onthullend lijken maar tegelijk een muur bouwen om zijn onzekerheid, zijn angsten, zijn schuldgevoel. De causeur blijkt een controlefreak. Maar dat ziet, althans lange tijd, niemand. Die houding roept verwarring op, dat ziet Robert en hij probeert het te vermijden, misschien ook verontwaardiging, daar staat hij niet bij stil. Híj herinnert zich die zomer met Vera, zij dertien, hij in de veertig, als een van de mooiste, een tijd van onuitgesproken zielsverwantschap, van zuiverheid, ruw verstoord toen haar vader haar ‘s avonds laat bij hem aantrof. Al was er niets gebeurd, ze zouden elkaar nooit meer zien, ze zouden alleen de herinneringen koesteren – ‘dat ze bestond vond ik een troostende zekerheid’. Robert koestert ze wel . En hij herinnert zich Louise niet, maar zij hem wel, en ze zal er niet over zwijgen.

Bazarow

Het had gepast bij een ander aspect van die lichtheid, de sfeer van dit boek, een tuinzomer, een aaneenschakeling van terrasjes, wandelingen in onbewolkt weer, als Robert zich langzaam had gerealiseerd wat hem bindt met en scheidt van Vera en Louise. Zo in ieder geval vertelt Verbogt een derde verhaal, dat van Roberts stervende vader, als een harmonieus proces. Die strategie had Verdwenen tijd vertraagd, gereduceerd tot die lichte sfeer, tot nostalgie. Verbogt vermijdt echter die al te gemakkelijke val en laat het verleden in klappen als aanrijdingen binnendringen in dat gelaten levendje van Robert: zijn angsten blijken wel degelijk gegrond, zijn zekerheden blijken relatiever dan hij al dacht, zijn universele schuldgevoel blijkt gegrond.

Zoals het verhaal en de karaktertekening complexer in elkaar zit dan een aanvankelijke schets suggereert, zo ontsnapt ook de stijl aan een directe duiding. De brallerige trefzekerheid van de hoofdpersoon in de dialogen verzandt – nee, excellereert – in de passages waarin hij nadenkt. Daar zoekt hij met grote precisie, laverend tussen grote woorden om toch iets unieks, iets passends te zeggen. Goede zinnen zijn dit, zonder epigrammatisch of plat te worden.

‘De beperktheid van onze middelen duidelijk te maken wat we wezenlijk bedoelen, is ook onredelijk.
Vera deed of ik het zei omdat ze daarmee wilde zeggen dat ik het nooit belangrijk had gevonden, terwijl ze zich had moeten voorhouden dat wij, zij en ik, mensen zijn die zo niet met elkaar omgaan, omdat bijna iedereen al zo met elkaar omgaat, en wij zijn niet iedereen. Dit betekende onze zomer van toen: dat wij niet iedereen zijn.
Ik wil haar vragen of ze alsjeblieft wil geloven dat het wel belangrijk was en dat het belangrijk is gebleven. En als ze vraagt wát dan, zeg ik dat ik daar al die jaren al over nadenk, want wat hebben we uitgewisseld, wat was het dan? Het was in ieder geval goed en essentieel, het was wat mensen al zo gauw fantástisch noemen, wij vonden iets wat er niet was…’

Fantástisch, zoals Verbogt hier relativeert wat elders uitgesproken wordt. Maar behalve de continue herschrijving van het recente verleden, gaat Verdwenen tijd vooral over het verre verleden, een thema dat zo oud is als de literatuur. Ik kwam het onlangs nog tegen bij herlezing van Marcel Mörings Het grote verlangen. In dat boek worstelt de veel jongere hoofdpersoon ook met zijn gebrekkige geheugen, voor hem zijn al zijn jeugdherinneringen tweedehands, en zijn verleden een gevangenis. Möring pareerde de kritiek van nadrukkelijke thematiek met frisse doorkijkjes en verrassende wendingen. Verbogt toont in Verdwenen tijddie gevangenis ook, zij het voor Vera en Louise. Robert laat zich door hen insluiten in hun gezamenlijk verleden, maar daardoor juist gloort er een gelukzalig en onverwacht einde aan zijn laconieke BN-erschap. Geen hoop, maar een relativering die de kern raakt. Geen jeuk dus, maar waardering voor dit vakmanschap.

Verbogt kan zich verheugen in een kleine schare fanatieke fans, moet ik steeds lezen in andermans recensies. Ik begrijp nu waarom. Klein – want Verbogts proza lijkt zoekend, zekerheden ontwijkend, zijn stevige plot lijkt in de lichte sfeer te verzanden -, fanatiek – want zachtmoedig, het doet recht aan de zachte kanten, de onzekerheden van taal en werkelijkheid. Ik sluit me aan.