Vrijdag, 17 november, 2017

Geschreven door: Siebelink, Jan
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Vergeet de meisjes

Kan dat, vriendschap zonder moraal?

[Essay] Het kan niet gezegd worden dat het nu een trend is, boeken over vriendschap. Opvallend is wel dat recent, kort na elkaar, twee vriendschapsboeken verschenen, beide bijzondere en mooie romans, die beide over afhankelijkheid in de vriendschap gaan. In de roman van Jan Siebelink, getiteld De Buurjongen, is het een vriendschap tussen twee buurjongens, later stiefbroers. In de roman van Alma Mathijssen, Vergeet de meisjes, gaat over de bijzondere relatie tussen vrouwen, een schrijver en een bewonderaar.

[Essay] Bij Siebelink is de setting bekend, haast vertrouwd. We keren namelijk terug naar de het dorp bij Arnhem waar de kwekerij staat die we kennen uit Siebelinks eerdere boeken en vooral uit Knielen op een bed violen, waarin Siebelink ons meevoerde in de wereld van een fundamentalistische, doemdenkende, christelijke sekte. De hoofdrol is nu niet weggelegd voor de vader des huizes Hans Sievez en ook niet voor zijn intelligente en later Franse taal en letterkunde studerende zoon Ruben. Nee, hun buurjongen staat centraal in het boek, Henk Wielheesen, die consequent door Siebelink met zijn voor- en achternaam wordt genoemd. Deze jongen is een wat zwakbegaafde lieverd die niet alles snapt wat er in de wereld gebeurt. Henk en Ruben zijn van jongs af aan bevriend en blijven dat hun hele leven.

Henk Wielheesen heeft het niet goed thuis. Zijn vader baalt er van dat hij geen sterke, voetballende zoon heeft en kijkt op Henk neer. Zijn vader bedriegt zijn moeder met een vriendin en als zijn moeder hier achter komt, beneemt ze zich van het leven, althans daar lijkt het op. Henk snapt niet wat er is gebeurd, maar het gemis is er niet minder om. De nieuwe vrouw van zijn vader, Toos Radstake – de Nederlandse letteren is dankzij Siebelink weer een eersteklas kreng van een stiefmoeder rijker – pikt meteen de kamer in van de jongen, die voortaan in het schuurtje moet slapen. Daarbij aast ze op de juwelen van de moeder van Henk. Alleen hij weet waar ze liggen. Als de jongen steeds meer wordt verwaarloosd grijpt de religieuze buurman Sievez in. De jongen komt bij hen (en dus Ruben) te wonen en krijgt een opleiding als kweker. De jongens beschouwen elkaar voortaan als broers. Jaren later wordt Ruben docent Frans in de stad en Henk neemt de kwekerij over. Anders dan je verwacht is het Henk die verliefd wordt, trouwt en een dochtertje krijgt en blijft de succesvolle Ruben alleen.

We weten dat het bij Siebelink nooit een vrolijke boel wordt en ondanks het huwelijk en enkele gelukkige jaren is het leven van Henk zwaar en somber. Het drukkende protestantse geloof vol schuldbesef is nooit ver weg. Henk wil het liefst de dag mijmerend doorbrengen, een beetje met zijn planten in de weer. Zijn vrouw heeft ambities en werkt hard om uit de armoede te komen. Hoe harder zijn vrouw werkt, hoe minder Henk doet. Hij verwaarloost de kwekerij, raakt vervreemd van zijn vrouw en dochter en kan het allemaal steeds minder bijbenen. Elke keer als het uit de hand loopt grijpt Ruben in, helpt het gezin van Henk financieel, bemiddelt tussen vader en dochter, probeert zaken zo te regelen dat het Henk goed gaat, zelfs als Henk naar een verpleeghuis moet. De vriendschap is onbaatzuchtig, Ruben is trouw aan Henk, tot het einde. Mooi. Waarom Ruben zo verknocht is aan Henk (is hij wel verknocht aan Henk of is het alleen maar christelijke plicht?), wat zijn drijfveren zijn, waarom hij nooit trouwt en altijd ‘s nachts op pad is (mogelijk naar huizen van lichte zeden); het blijft allemaal mistig en wordt niet uitgewerkt door Siebelink. Het boek staat vol met vage opmerkingen en toespelingen, vaak over seksualiteit. Wil Siebelink ons hiermee vertellen dat er geen enkele openheid is in het protestantse milieu van veertig, vijftig jaar terug. En dat alles op het gebied van liefde en seksualiteit lastig en zwaar is. Dan is het hem dat tot het irritante toe gelukt.

Geschiedenis Magazine

Bij Alma Mathijssens’ Vergeet de meisjes gaat het over de vriendschap tussen de schrijver Iris Kouwenaar en haar mollige huisgenote Kay. Ze wonen in een huis in een West-Fries dorp. Iris blijkt ziek en bedlegerig te zijn. De roman begint als een Amerikaans-Nederlands journalist, genaamd Fields, de opdracht krijgt om Iris Kouwenaar, de schrijver, te interviewen. Die heeft al tijden niets gepubliceerd en niets van zich laten horen, ook haar uitgever heeft geen contact meer met haar. Het succes van haar debuut Antidote, twintig jaar eerder was overweldigend. Hoe Mathijssen het beschrijft doet denken aan het verschijnen destijds van The Secret History van Donna Tartt. Antidote is net zo’n een internationaal succes. In tegenstelling tot bij Tartt zijn de latere boeken van Kouwenaar geen succes. Eigenlijk herschrijft ze telkens Antidote en diept ze de karakters uit haar debuut steeds meer uit. De boeken verkopen steeds minder goed. Fields heeft Kouwenaars debuutroman nog steeds niet gelezen, het heeft hem altijd tegengestaan, die destijds jonge vroegwijze schrijfster met haar verpletterende debuut. Omdat het nu twintig jaar geleden is en Fields Nederlands spreekt, stuurt zijn hoofdredacteur hem naar Amsterdam voor een interview. Hij vliegt naar Nederland en neemt de trein naar het dorp waar de vrouwen als kluizenaars samenwonen, alleen Kay verlaat het huis zo nu en dan voor de hoognodige boodschappen.

Op een wat ongeloofwaardige manier komt Fields ongemerkt in de slaapkamer terecht van de bedlegerige Iris, verbergt zich in de klerenkast en brengt daar luisterend, kijkend door de spleten in de kast, bijna een etmaal door. Via de beschrijvingen van Fields, via zijn voyeuristische waarnemingen krijgen we langzaam hoogte van de relatie tussen Iris en Kay. Dit is een mooi beeld van Mathijssen, waarmee ze zegt dat we pas weten hoe de verhouding is tussen mensen als we er met onze neus bovenop kunnen zitten, als we het privédomein kunnen kraken en ongemerkt kunnen zien wat er zich in huis tussen mensen afspeelt.

En dat is in het geval van Iris en Kay niet echt om vrolijk van te worden. Iris blijkt volledig afhankelijk te zijn van Kay, ze kan nauwelijks meer lopen, is broodmager, helemaal verzwakt. Hoe verzwakt Iris ook is, ze vertelt Kay verhalen, verhalen over de vreemdste zaken, dingen die ze ooit gelezen heeft en nu omvormt en samenvoegt tot nieuwe verhalen. Nu Iris niet meer schrijft en publiceert, is Kay op deze manier haar lezerspubliek: een dubbele afhankelijkheid. Maar Kay heeft Iris ook nodig. Ze smeekt om aandacht van Iris, wil door haar gezien worden, zou ook willen dat ze net zo bijzonder is als de schrijver en wil er toe doen. Ze slooft zich uit, maar Iris ziet het niet en heeft nauwelijks oog voor de zielenroerselen van Kay. Het lijkt wel of ze geniet van de afhankelijkheid van Kay. In het dagboek dat Fields in de kledingkast vindt schrijft Kay: “Ik haat dat ik nooit zo zal zijn als jij. Ik hoop dat je me ziet, dat ik mijn best doe. Ik haat als je me niet ziet. Dat je me soms ziet, maar niet vandaag. Ik haat dat ik nooit zal schrijven als jij, dat ook al produceer je niets, je nog steeds beter bent dan ik.” En zo is Kay net zo afhankelijk van Iris als andersom.
De vraag is of Vergeet de meisjes wel over vriendschap gaat. Van Iris hoeft het allemaal niet meer, ze leeft een teruggetrokken leven en misschien zou ze het liefst wel sterven. Daarvoor heeft ze Kay nodig. En Kay wil bijzonder zijn, groots worden, daarvoor heeft ze Iris nodig, die zo verzwakt is dat ze nergens meer naar toe kan. Vriendschap? Dat valt nog te bezien. Interessante thematiek? Zeker.

Bij Siebelink gaat het over vrienden die het goede voor elkaar willen. Bij Mathijssen gaat over vrienden die het slechte voor elkaar willen en als dat door beiden wordt erkend, gesteund zelfs, dan kun je zelfs stellen dat dat ook vriendschap is, weliswaar met een pervers randje. Dat zou de boodschap van het boek van Mathijssen kunnen zijn. De vriendschap bij Siebelink is braaf, traditioneel, saai zelfs, zoals het hoort. Alsof hij heeft willen laten zien dat ondanks dat verdomde Protestantisme, wat mensen diep ongelukkig maakt, er ook mooie en fatsoenlijke dingen uit voorkomen, zoals voor elkaar zorgen. Bij Mathijssen is vriendschap los gezogen van de moraal, gaat het niet meer over goed en kwaad, maar over irrationele, psychologische processen waar de vriendinnen in terecht zijn gekomen. Tijdens het lezen van Siebelink denk je, hoe mooi het boek ook is geschreven: “Dat weten we nu wel”. Bij Mathijssen vraag je je af: “Wat is hier aan de hand, hoe kan dit?” Vergeet de meisjes intrigeert en verontrust op elke pagina, wars van sentimentaliteit stelt het diepgaande vragen over wat vriendschap is en wat afhankelijkheid in vriendschap is. En dat komt aan en zet je aan het denken, over je eigen leven, over je eigen vriendschappen. Dat maakt het sterke literatuur.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles