Dinsdag, 17 september, 2013

Geschreven door: Wijnen, Jan
Artikel door: Jenowein, Annette

Verkleurde tijd

Alledaagse treurigheid

Bij het tikken van de prijs en het aantal pagina’s van Jan Wijnens Verkleurde tijd  viel me een gemene gedachte in: wel wat veel geld voor zo’n dun boekje. De vorige recensie die ik voor Recensieweb schreef was voor datzelfde geld honderd pagina’s dikker en kreeg van mij vijf sterren. Voor een goed begrip: die gemene oprisping overviel mij ná lezing van Wijnens boek, laat zoveel duidelijk zijn. Is zijn boek value for money of mag je zo niet denken in literair Nederland?

Een dunne pocket, en dan ook nog alleen korte verhalen, zijn fijne treinboekjes. Je kunt je lekker verliezen in het verhaal, en als je niet tussen Amsterdam en Abcoude reist, weet je tenminste hoe het afloopt. Gaat de reis verder dan pak je nog een verhaal, je doseert de literaire inname als het ware. Eenmaal thuis maak je het karwei af. Een nadeel van treinlezen is wel dat je vaak de in de trein gelezen verhalen thuis nog even moet overlezen, maar of dat echt altijd een spijkerhard nadeel is, valt niet te zeggen. Sommige korte verhalen slaan je zo in het gezicht dat je ze met liefde herleest. Dat kan ook, het zijn immers korte verhalen.

 Sombere levens

Tot zover wat algemene bespiegelen over de hardware; nu de software, de verhalen zelf. Slaan de verhalen van Jan Wijnen je in het gezicht? Nee, eigenlijk niet, of het moet de allesoverheersende sombere geur zijn die eruit opstijgt. De ouderdom die met gebreken komt, het verloederde leven, de verkwanselde liefde, de verwoestende kracht van een aardbeving, een tumor of de ziekte van Alzheimer… het is alom kommer en kwel wat Wijnen hier beschrijft.

Gelukkig ziet Jan Wijnen er bij tijd en wijle ook wel de humor van in. Want waar moet die arme opa, wiens vrouw een zombieleven leidt in het verpleeghuis, met zijn geile – en een tikkeltje racistische –  gedachten anders naartoe dan naar de Ghanese werkster met haar pronte billen?

Geschiedenis Magazine

 ‘Ze trekt de stekker uit het stopcontact, zodat het ineens stil is en bukt zich om de draad op te rollen. Wat een billen! Hij krijgt een stijve, lang niet meer gehad. Jammer dat zijn huisje geen plinten heeft, anders had hij kunnen vragen of ze die wilde afstoffen.’

Wel jammer dat voormalig geschiedenisdocent Jan Wijnen na deze stiekeme opleving van de verschrompeld geachte seksualiteit van de oude man de behoefte voelde om er een klein college antropologie achteraan te plakken. Over pygmeeën in Afrika nog wel, die ‘niet zo moeilijk doen over seks, dat heeft hij kortgeleden in een tv-documentaire gezien.’ Daardoor ontkracht hij de scène en verslapt de seksuele spanning. Letterlijk, want ‘ze drinkt haar glas leeg, ruimt de stofzuiger op en trekt haar jas aan.’

Hij betaalt bij de voordeur en geeft haar wat extra. Hij gaf altijd al aan goede doelen. Wat die werkster van dat laatste vindt, komen we natuurlijk nooit te weten, maar het had het verhaal beslist goed gedaan als Wijnen opa eens lekker van bil had laten gaan, al was het maar in het diepst van zijn gedachten. Literatuur gaat immers over het onalledaagse, het bevreemdende?

Kopje thee

Het is de alledaagse treurigheid die Wijnen in deze bundel de lezer voorschotelt. Het formatvan het korte verhaal staat kennelijk niet toe dat je diep in de psyche van de karakters wegduikt, noch beter begrip krijgt voor hun daden. Waarom Tiny, die al twintig jaar op de redactie van de uitgeverij werkt, iedere woensdag bij haar gepensioneerde ex-collega, de Engelsman Henry, op bezoek gaat voor een kopje thee en een potje scrabble, blijft een raadsel, hoezeer ik ook tussen de regels probeerde te lezen. Het moet geen opwindende vrouw zijn geweest, die Tiny. Maar misschien dooft al je spiritualiteit en levendigheid wel uit als je twintig jaar aan de Grote Historische Encyclopedie  werkt.

Hoe dan ook, na het lezen van het verhaal Het schilderij  bleef ik mismoedig achter; er bloeide niets moois op tussen de redactrice en de oude Engelsman, die Tiny’s naam steevast op z’n Engels uitsprak – ‘wat ik hem nooit heb kwalijk genomen, terwijl ik toch niet de slankste was.’ Ze scrabbelden een potje, bij goed weer in de tuin en dronken thee – what else? – en aan het einde van de zitting een glaasje sherry. Veel praten deden ze niet, maar ‘het waren ondanks zijn zwijgzaamheid genoeglijke middagen en als we vanwege het weer gedwongen uitweken naar de woonkamer draaide hij Purcell, Boyce, Händel.’ Ik ben nog even op zoek gegaan naar parelende zinnen maar kon er geen vinden. Vermoedelijk lagen ze verstopt in Wijnens voortdurende neiging om de dingen nog eens uit te leggen.

Je kunt Jan Wijnens Verkleurde tijd heel goed in de trein lezen, maar je kunt het ook heel goed in de trein laten liggen.