Woensdag, 1 september, 2021

Geschreven door: Mak, Geert
Bank, Jan
Rooy, Piet de
Stipriaan, René van
Es, Gijsbert van
Artikel door: Veen, Evert van der

Verleden van Nederland

Van préhistorie tot corona

[Recensie] De eerste druk van Verleden van Nederland verscheen in 2008 en de huidige uitgave is de vijfde geheel herziene druk. Dat is met name te merken aan recente gebeurtenissen als corona die in het boek zijn opgenomen.

In tien hoofdstukken gaan de auteurs de geschiedenis door en nemen zij de lezer op overzichtelijke wijze mee door wat vroeger ‘vaderlandse geschiedenis’ werd genoemd; het vak werd in 1878 op de lagere school ingevoerd. Die klassieke benadering heeft natuurlijk al lang plaats gemaakt voor een bredere context zodat ook belangrijke internationale ontwikkelingen in dit boek voorkomen.

Het boek is rijk geïllustreerd en de royale onderschriften maken de foto’s ook zinvol omdat ze een historische gebeurtenis uitleggen. De meest opvallende foto is die van een expeditie van het Nederlandse leger in 1904 om opstanden op Sumatra te onderdrukken. We zien Nederlandse militairen bij gedode slachtoffers poseren. Er vielen 3000 doden en premier Abraham Kuyper verwoordde dit optreden als een ‘serie schitterende krijgsverrichtingen’.

In tien hoofdstukken volgt de lezer ontwikkelingen in Nederland vanuit drie invalshoeken:

Boekenkrant
  • klimaat en geografie
  • demografie, economie, sociaal-politieke verhoudingen
  • optreden van personen

De hoofdstukken behandelen steeds kleinere tijdvakken; vanaf hoofdstuk 5 is het steeds zo’n 100 jaar.

Opvallend is dat er geen apart hoofdstuk aan de Tweede Wereldoorlog is gewijd maar dat deze deel uitmaakt van het hoofdstuk dat het tijdvak 1918 – 1966 bestrijkt. Een opmerkelijke keuze want de oorlog zélf wordt vaak als een breuklijn in de geschiedenis gezien. In hoofdlijnen staat alles over de Tweede Wereldoorlog wel in dit hoofdstuk maar de aandacht is toch ook wel beperkt te noemen. Zo wordt de term Slag om de Schelde in 1944 niet genoemd – de gevechten in Zeeland wel – terwijl het belang van de vrije Westerschelde met het oog op de toegang tot Antwerpen als nieuwe havenstad voor de geallieerden tegenwoordig meer wordt onderkend. De film Slag om de Schelde trekt momenteel veel bezoekers en kreeg als speelfilm – terecht – een hoge waardering.

In verhouding is er veel aandacht voor de oorlog in Nederlands Indië – meer dan in andere boeken vaak het geval is – en auteur Piet de Rooy constateert kritisch: ‘De meeste Haagse politici, die nooit een voet in de Indonesische archipel hadden gezet, hadden geen idee van de enorme omvang van het land en van de kracht van de onafhankelijkheidsbeweging. Dat leidde in woorden en daden, telkens weer, tot een dramatische zelfoverschatting’ (p. 467).

Ieder hoofdstuk begint met een algemene typering en vervolgens volgt een reeks jaartallen.

Hoofdstuk 1 Verloren verhalen en hoofdstuk 2 Ongekende beschaving zijn van de hand van Geert Mak die op boeiende wijze over de oudste geschiedenis van ons land vertelt. Hier komt Trijntje ter sprake, het oudste skelet dat in 1997 bij de aanleg van de Betuwelijn werd gevonden.

Beeldend is de beschrijving van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus in het jaar 98: “Het terrein is er woest, het klimaat is ruw, het leven en landschap somber. Hier kom je alleen indien het je vaderland is” (p. 32). Het is duidelijk de beleving van een zuiderling die zich totaal niet thuis voelt in ons land en zich afvraagt waarom hier mensen wonen.

Interessant is het feit dat na de Romeinse periode een klimaatverandering optrad waardoor het kouder en natter werd in onze regio, de delta kreeg een steeds natuurlijk aanzien en de bevolking liep terug.

Vanaf de 12e eeuw vond er veenontginning plaats en omdat de grond vervolgens ging dalen, begon men met het inpolderen en bedijken van land. Ook is er aandacht voor de binnenzee Almere die door stormvloeden uitgroeit tot de latere Zuiderzee.

Nieuw en boeiend voor mij is het feit dat de toenemende verstedelijking ook wat Jan Bank noemt ‘verkloosterlijking’ met zich meebrengt omdat er veel kloosters in steden werden gebouwd. Dat stelt de veronderstelling bij dat kloosters alleen maar op afgelegen plaatsen werden gebouwd. Die indruk krijg je in het buitenland vaak wel maar het landschap is daar ook anders en uitgestrekter.

Het zijn deze onderwerpen die dit boek onderscheiden van andere historische werken die vooral de nadruk leggen op ‘wapenfeiten’ en belangrijke personen al worden hoofdstuk 5 1500 – 1621 Uit de geest van Erasmus: een Republiek en hoofdstuk 6 1600 – 1700 Greep op de wereld duidelijk meer door oorlogsgeweld en machtswisselingen getypeerd. Dat geeft deze hoofdstukken, van de hand van Jan van Stipriaan, een ander karakter dan die waarmee het boek begint en deze hoofdstukken lijken wat meer op traditionele geschiedenisboeken.

Het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581 wordt niet genoemd en dat lijkt mij niet terecht. In dit document zet een aantal provinciën van de Habsburgse Nederlanden Filips II af als hun heerser. Het kreeg in 2018 veel aandacht in de verkiezing van het tv programma Het Pronkstuk van Nederland. Politiek is de betekenis wellicht gering te noemen maar symbolisch is de betekenis groot omdat het tegenwoordig wordt beschouwd als de eerste onafhankelijkheidsverklaring van de Nederlanden.

Opmerkelijk is de constatering van René van Stipriaan die de Gouden Eeuw ‘in de eerste plaats een rusteloze eeuw’ noemt. Het begrip Gouden Eeuw wordt verder niet kritisch belicht en dat doet geen recht aan de huidige discussie waarin historici meer oog hebben voor de schaduwkanten van deze periode in onze geschiedenis.

Interessant is de opmerking dat er in 1661 vanuit behoudend protestantse hoek verzet was tegen de viering van Sinterklaas. Een weinig bekend feit, vermoed ik, maar ook niet heel belangrijk natuurlijk. Er is opmerkelijk veel aandacht voor de ontwikkeling van de stad Amsterdam.

Het koloniale bezit komt aan de hand van het scheepsverslag van Bontekoe kritisch ter sprake: ‘Bontekoe was zich waarschijnlijk van geen kwaad bewust: alles gebeurde bij hem uit naam van de compagnie en de christelijke God’ (p. 250). De slavernij wordt hier nog niet besproken maar komt later wel uitgebreid en kritisch aan de orde in hoofdstuk 7 1700 – 1813 Verlichting als vooruitzicht, geschreven door Jan Bank.

Het dubbelportret van het Amsterdamse echtpaar Marten en Oopjen, van Rembrandt, wordt in dit verband genoemd: “Beide portretten zijn dus niet alleen topstukken van schilderkunst, maar ook merktekens van een alledaagse slavernij” (p. 296) al wordt er niet bij gezegd dat zij zich daar waarschijnlijk totaal niet van bewust waren en meer indirect met de slavernij te maken hadden.

Ook is er uitgebreid aandacht voor het cultuurstelsel in Nederlands Indië en de invloed van het boek Multatuli van Max Havelaar wiens leven en werken wordt geschetst.

Belangrijke momenten zijn 1796 wanneer de republiek wordt uitgeroepen waarmee een einde komt aan de soevereiniteit van de gewesten en 1848 wanneer de grondwet wordt herzien.

Minder belangrijk maar wel aardig is de opmerking dat er in 1808 een klacht was over te frequente postbezorging (5 à 6 keer per dag) omdat dit voor onrust zou zorgen.

Hoofdstuk 9 1918 – 1966 Een zuilenland en hoofdstuk 10 1966 – 2020 Het neoliberale regime zijn van de hand van Piet de Rooy en bieden een mooi overzicht van deze tijd die de lezer – afhankelijk van z’n leeftijd – uit eigen ervaring ook herkent.

Een opmerkelijk feit uit de jaren 20 van de vorige eeuw is de steun voor de agrarische sector die toen al in omvang terug begon te lopen. Maar liefst een kwart van de rijksbegroting bestond uit steun aan de boeren.

Naar aanleiding van de Watersnoodsramp in 1953 wordt gesteld dat het Deltaplan dient ter bescherming van de Randstad. Dat is ten dele waar: de bouw van de stormvloedkering in de Hollandse IJssel is daarvoor gebouwd. Ik kan me voorstellen dat Zeeuwen deze passage met gekromde tenen lezen. Het allereerste doel van het Deltaplan was namelijk het afsluiten van de zeegaten in Zeeland zodat de lengte van de echte zeedijken fors korter zou worden en Zeeland daardoor minder kwetsbaar zou zijn.

In 1966 verscheen het rapport God in Nederland en socioloog Zeegers constateert hierin “een onvoorstelbare aardverschuiving, zonder weerga in de menselijke geschiedenis” (p. 499). Dat lijken nogal pathetische woorden en het zou een interessante vraag hoe de onderzoekers van 50 jaar geleden de huidige ontwikkelingen – kerksluitingen, teruglopende ledentallen, vergrijzing, krimp van het CDA – zouden omschrijven.

In 1972 verscheen het rapport van de Club van Rome. Het was als ik mij goed herinner een tijdelijke rimpeling in de maatschappelijk-politieke vijver die helaas te weinig aandacht kreeg. De tijd was er blijkbaar nog niet rijp voor. We hebben nu het nieuwste VN rapport over het klimaat dat nogmaals duidelijke(r) taal spreekt en meer gehoor vindt. De situatie is dan ook dringend geworden.

Verder worden in het laatste hoofdstuk politiek populistische partijen belicht, komt het Zwarte Piet debat voorbij en herinneren we ons de toeslagenaffaire maar al te goed.

Een treffend tijdsbeeld van de coronacrisis is de luchtfoto van de 4 mei herdenking 2020 op De Dam waar de leegte aangrijpend zichtbaar is.

Verleden van Nederland is een zeer geslaagd overzicht van onze nationale geschiedenis die in de meeste tijdvakken een breed overzicht van ontwikkelingen geeft en daarmee beantwoordt aan de drie hierboven benoemde doelen die de auteurs zich hebben gesteld.

Geert Mak is bekend van de boeken Hoe God verdween uit Jorwert en De eeuw van mijn vader. Zijn laatste boek is In Europa 1999 – 2020. Jan Bank en Piet de Rooy zijn beide emeritus hoogleraar Nederlandse geschiedenis. Gijsbert van Es is redacteur van de NRC en René van Stipriaan is auteur en werkt aan een boek over Willem van Oranje.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles