Zondag, 14 mei, 2017

Geschreven door: Postma, Jan
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Vroege werken

Hoe het alledaagse subliem wordt

[Recensie] Even was er paniek. Wat had ik gemist? Uitgeverij Dag Mas lanceerde Jan Postma’s Vroege werken en ik had van zijn latere of hoofdwerken nog nooit gehoord, laat staan er iets van gelezen. Het kaartje bij het boek, net zo strak opgemaakt als het boek zelf, hielp me snel uit de droom. Jan Postma is ‘pas’ van 1985 en aan zijn latere of hoofdwerken moet nog worden gewerkt, in de komende jaren.

Das Mag flikt het weer en introduceert een van zijn auteurs met een goede grap. Wel een ronkende grap want alles is fantastisch aan de Vroege werken van Jan Postma als we Das Mag moeten geloven: “prachtig, intelligent, geestig, venijnig, et cetera.” Maar mogen we dat zelf even bepalen, denk ik dan. Boek gelezen en…

…Das Mag had gelijk; de essays van de voormalige student wijsbegeerte en huidige redacteur van De Groene Amsterdammer verdienen alle lof. Mooie waarnemingen, strakke formuleringen, fris, eigentijds, een spreekbuis van de jonge generatie! Zo, nog wat adjectieven en superlatieven erbij voor Das Mag? We willen de jonge uitgeverij natuurlijk steunen, maar Jan Postma maakt het ook nog waar ook.

En waar schrijft Jan Postma dan over? Welnu, eigenlijk helemaal niet over zulke bijzonder dingen. Ja, het portret van naamgenoot en verzetsstrijder Jan Postma is indrukwekkend, maar de meest dingen gaan over de normaliteit van het leven: Postma’s relatie met vriendin J., over of hij met haar moet gaan samenwonen, over bezoekjes naar Westkapelle waar zijn vader vandaan komt, over zijn bezoek aan een aantal tentoonstellingen, veelal fotografie, over wandelingen, over poezen en over nog zowat zaken die een jongen denker blijkbaar bezig houden. Geen spannende onderwerpen op het eerste gezicht, maar Jan Postma maakt er toch pareltjes van essays van met mooie waarnemingen: “Hoe kleiner de gemeenschap waarin je opgroeit, hoe minder ruimte er is voor een verlengde jeugd” (over Westkappele) en: “Liefde is vaak iets wat je overkomt, maar ook waarin je vervolgens beter in kunt worden. Je maakt dingen mee, samen, brengt tijd met elkaar door en gaat de werkelijkheid in een eigen maar plots gedeelte tijd beleven” (over geliefde J.). Postma mijmert, neemt waar en vermengt zijn overpeinzingen met citaten en anekdotes uit de literatuur en filosofie, waarmee hij zijn gemijmer ondersteunt. En deze methode werkt. Zijn genealogie van de roodharigen is erg grappig, zijn worstelingen om al dan niet te gaan samenwonen zijn aandoenlijk en eerlijk. Opvallend is dat Postma nergens cynisch is. Als dat de toon is van de nieuwe generatie, dan teken ik daar voor.

Technisch Weekblad

Een keer overtilt Postma zich. In het langste essay van de bundel, Bewondering & ballingschap, over Joseph Brodsky, vertelt hij drie verhalen ineen en dat stuk verzandt door te weinig samenhang in goede bedoelingen. Zijn verhaal hoe hij de dobbelstenen van Zadie Smith jat, was in een apart verhaal veel sterker geweest. Maar dit is de enige uitzondering, op de andere essays is niets aan te merken. Fijn om te lezen, deze Vroege werken.

Bij de bespreking van de selfies-tentoonstelling van Heleen van Rooyen (“Ik kan de kut van Heleen van Royen dromen”) schrijft hij spottend over de catalogustekst: “Elk tijdperk krijgt de Montaigne die het verdient.” Misschien onbedoeld ook een mooie waarneming over zichzelf. Ik kijk uit naar de latere werken.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles