Vrijdag, 17 november, 2017

Geschreven door: Jansen, J.T.B.
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Waan en willekeur

Verhalen over WOII

[Voorpublicatie] Dit weekeinde verschijnt de verhalenbundel Waan en willekeur, “waarin zes verschillende momenten uit de Tweede Wereldoorlog worden geschetst. De lezer maakt niet alleen kennis met de kille Nederlandse soldaat uit het openingsverhaal Voorbij de catacomben, de aandoenlijke kleuter Xavier in Kuuroord en de tragische jongeling Arthur Rosenthal in het ondergangsverhaal Endlösung, maar ook met de raadselachtige protagonist Johan Kasper Schmitt van de surrealistische novelle Acte gratuit, de desolate Duitse militair Karl Weissmann uit Kétyner Graben en de opstandige adolescent Wessel Holslag uit het verzetsdocument Aankomst in Arcadië.”

Over de auteur

JTB (Jeroen) Jansen werd in 1955 geboren in Amsterdam. Hij studeerde literatuurwetenschap, stijlwetenschap en Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. In 1985 debuteerde hij bij Uitgeverij De Harmonie met de novelle Voorbij de catacomben. Deze novelle is sterk herzien opgenomen in Waan en Willekeur. Van 1988 tot 2016 was Jansen werkzaam als zelfstandig IT-consultant.

De Leesclub van Alles publiceert als voorpublicatie een deel uit het verhaal Endlösung.

Wordt Vervolgd

Endlösung

September 1942.

De dag dat Arthur Rosenthal zou komen te overlijden, was het tegen de verwachting in prachtig, stralend weer.
Al vroeg in de ochtend was hij wakker geworden van de geluiden in huis. Hij hoorde hoe zijn vader zich gereedmaakte om naar kantoor te gaan, terwijl zijn moeder Mireille uit bed hielp.
Met een gevoel alsof de slaap hem met handen vol dons omlaag duwde, stapte Arthur zijn bed uit, opende de gordijnen van zijn zolderkamer en keek omlaag de straat in. Buiten scheen de zon al, maar de zware eikenbomen die dicht tegen het huis aan stonden, leken zijn kamer gevangen te houden in de schaduw.
Toen hij de voordeur hoorde dichtslaan, wachtte hij tot hij zijn vader het tuinpad zag aflopen. Met zijn aktetas in zijn hand zag hij hem de weg oversteken en langs de huizen aan de overkant lopen, voordat hij bij de woning van de familie Liebermann de hoek omsloeg. Op dat moment schoven een paar wolken voor de zon. Het werd even donker in de straat, waarna het ochtendlicht opnieuw door de bomen viel.

Op jonge leeftijd was Arthurs vader vanuit een provinciestad naar Amsterdam verhuisd. Als jongste bediende had hij een betrekking gevonden bij de Deutsche Handelsverein, waar hij zich, niet zozeer vanwege zijn kennis als wel via zijn relaties (Beziehungen zei hij met een bombastisch woord), na jaren van slaafse arbeid had weten op te werken tot de schamele rang van administrateur. Arthurs moeder was een Duitse Jodin die in de crisistijd met haar ouders naar Nederland was gekomen en werk had gevonden in de huishouding. Zes maanden nadat zij elkaar op een feestavond hadden leren kennen, trouwden zij voor de wet. Anderhalf jaar later werd Arthur geboren, drie jaar later gevolgd door de komst van Mireille.
Toen Mireilles ontwikkeling achterbleef en een dokter werd geraadpleegd, bleek dat zij een afwijking had waar de arts in eerste instantie geen raad mee wist. Verschillende medische onderzoeken toonden aan dat Mireille een aangeboren hersenbeschadiging had, ontstaan door zuurstofgebrek tijdens de geboorte. Arthurs moeder had nachtenlang liggen huilen. Zijn vader, verbitterd dat het lot hem zo’n dochter had toebedeeld, had haar op geïrriteerde toon proberen te kalmeren.
De scènes met Mireille die in de loop der jaren in huize Rosenthal hadden plaatsgevonden, kon Arthur zich op pijnlijke wijze nog herinneren. Als Mireille weer een aanval van epilepsie had en schokkend en met weggedraaide ogen op de vloer lag, liep zijn moeder vertwijfeld rond terwijl zijn vader geërgerd een dokter ging bellen. Op latere leeftijd braken aan tafel geregeld ruzies uit wanneer Mireille haar gezicht of armen weer had opengekrabd. Haar huid, die door bleke pigmentvlekken ontsierd werd, vertoonde soms vuurrode korstjes die nauwelijks herstelden. Zodra Arthurs moeder er iets van zei, keek Mireille met loense blik voor zich uit, om vervolgens snauwend te reageren. Indien de woordenstrijd ontaardde in een ruzie en Arthur een poging deed Mireille tot bedaren te brengen, snoerde zijn vader hem steevast de mond. ‘Bemoei je er niet mee, snotjongen,’ bromde hij. ‘Wie denk je wel dat je bent?’
Hoewel Arthurs vader het liefst had gewild dat Mireille naar een inrichting was gegaan, bleek hij de kosten van een dergelijk verblijf niet te kunnen betalen. Bovendien stuitte het plan op verzet van Arthurs moeder. Slechts één keer was een wijkzuster van het consultatiebureau voor de gebrekkigen langs geweest, maar toen zij aan Arthurs vader gevraagd had of zijn huwelijk wel goed was, had hij haar prompt de deur uitgezet. ‘Alsof het aan mij zou liggen dat ik zo’n dochter heb. Alsof ik degene ben die hier behandeld moet worden.’

Terwijl Mireille naar een instituut voor moeilijk lerende kinderen ging, doorliep Arthur de lagere school en ging als enige van zijn klas naar de gemeentelijke hbs, in de hoop daarna naar het conservatorium te kunnen gaan. Vrienden liet hij niet achter, want die had hij niet. De paar keer dat hij moeite had gedaan om contact te zoeken met zijn medescholieren waren steevast uitgelopen op mislukkingen. Als hij al eens iemand meenam naar huis, werd hij enkele straten verder opgewacht door leerlingen uit zijn klas die hem nariepen: ‘Hé, Arthur, hoe is het met die gestoorde zus van je?’ Het klasgenootje wilde dan ineens niet meer mee.
In de ogen van zijn vader had Arthur deze problemen aan zichzelf te wijten. ‘Je bent ook veel te angstig. Gedraag je toch eens als een kerel.’
Nadat Arthur, die woorden indachtig, de jongens de eerstvolgende keer dat hij werd uitgescholden op hun gezicht had geslagen, was hij thuis gekomen met een bloedneus en een gat in zijn broek.
‘Wat heb ik je nou gezegd!’ riep zijn vader geïrriteerd. ‘In plaats van vrienden te maken zoek je ruzie. Nogal wiedes dat niemand met jou wil omgaan.’
Toen Arthur ter verdediging aanvoerde dat hij werd uitgescholden vanwege de gebreken van zijn zusje, was zijn vader in woede uitgebarsten. ‘Hoe durf je de ziekte van je zuster te gebruiken als excuus voor je eigen zwakheid! Je daarachter verschuilen getuigt wel van een enorme lafheid.’ Verontwaardigd had Arthur zijn mond gehouden.
Vanwege zijn liefde voor muziek had Arthur van het weinige spaargeld dat hij bezat een tweedehands viool gekocht. Toen zijn vader erachter was gekomen, had hij hem in stukken gebroken en in de kachel gesmeten. ‘Er is hier al genoeg herrie in huis,’ zei hij, doelend op de scènes met Mireille. ‘Alsof je met die muziek trouwens ooit je brood kan verdienen. Wat dacht je daarmee te kunnen bereiken? Violist worden in een tingeltangelorkest?’ Nee, als zijn zoon zo doorging, zou hij vanzelf wel in de goot terechtkomen.
Het had ertoe geleid dat Arthur zich steeds vaker terugtrok op zijn kamer, waar hij op een oude grammofoon luisterde naar de paar klassieke platen die hij bezat of de boeken las die hij op een rommelmarkt verzameld had.

Door de zuinige levensstijl van zijn ouders was er nauwelijks geld voor vakanties. Een enkele keer werden ze door oom Theo en tante Dora uitgenodigd om naar een huisje op de Veluwe te komen. Dan gingen ze ook een dagje naar het dierenpark. Zijn neef Ludwig, die een paar jaar ouder was dan Arthur, gooide stenen naar de apen, Mireille werd bang van de leeuwen, terwijl Arthur lusteloos naast zijn vader liep. Het liefst was hij op zijn zolderkamer gebleven, want zijn interesse voor de natuur was toen al tot een minimum geslonken.
‘Ben je niet blij dat je mee mag?’ vroeg zijn vader.
‘Jazeker.’
‘Bedank oom Theo voor de uitnodiging.’
‘Bedankt.’
‘Kan je niet met twee woorden spreken?’
‘Dank u, oom Theo.’
Aan houten tafels aten ze roggebrood en dronken lauwe melk die Arthur bijna deed braken. ‘Waarom praat je niet met Ludwig?’ vroeg zijn moeder. Maar toen Ludwig hem liet struikelen en Arthur een scheur in zijn broek had, zei zijn moeder: ‘Met jou zijn er ook altijd problemen.’
In het dorp waar ze verbleven, woonde een zwakzinnige jongen. Op een dag wilde hij met zijn herdershond gaan wandelen, maar zijn riem was gebroken. Om hem van dienst te zijn had Arthur hem een touw gegeven waar de jongen verheugd mee wegliep. ’s Avonds stond zijn vader nijdig op de stoep. In plaats van een halsband had de knaap een strop in elkaar gedraaid, waarmee de hond zichzelf tijdens de wandeling gewurgd had. ‘Kan je dan ook helemaal niets!’ had Arthurs vader gezegd. ‘Nu kan ik de kosten van die hond vergoeden. Alsof het geld me op de rug groeit.’
Als gevolg van al deze kritiek verdiepte Arthur zich liever in zijn boeken en zijn muziek. Toen hij overging naar de derde klas blonk hij dan ook uit door zijn kennis van kunst en literatuur. Om die reden was bij Arthur al op jonge leeftijd het romantische idee ontstaan dat hij wel de talentvolle tegenhanger van zijn zuster moest zijn, zoals communicerende vaten elkaar voortdurend in balans hielden. De gebreken van zijn zuster moesten wel gecompenseerd worden door de vele talenten die hij bezat, een gedachte die logischerwijs gevoed werd door zijn intellectuele en kunstzinnige prestaties. Toch durfde Arthur deze hoogmoedige redenering thuis niet openlijk uit te spreken, uit angst voor de beschimpingen van zijn vader. Zijn vader was immers niet alleen verbitterd over de gebrekkige dochter die hij had gekregen, hij was in feite net zo verbolgen over zijn zwakke en karakterloze zoon, die zich ook nog eens als een kluizenaar gedroeg. ‘Nooit zie je hier vrienden. Bij een vereniging sluit hij zich niet aan. In plaats van contact te zoeken met anderen sluit hij zich op in zijn kamer met zijn boeken en zijn muziek.’ Dat hij zich niet afvroeg hoe het kwam dat Arthur een dergelijke angstige levenshouding ontwikkeld had, was voor Arthur eens te meer een bevestiging van het gebrek aan intellect van zijn vader.
De goede resultaten die Arthur ondanks zijn isolement op school behaalde, waren voor zijn vader dan ook geenszins een reden om hem te prijzen, eerder vormden zij een aanleiding om hem nog meer te bekritiseren. ‘Alsof het niet normaal is dat hij zijn best doet,’ zei hij. ‘Hoewel ik me soms afvraag of het niet meer geluk dan wijsheid is. De meeste tijd houdt hij zich bezig met die zogenaamde kunst van hem. Blijkbaar is hij vergeten hoe ik mij een plaats in de maatschappij heb moeten veroveren. Als kind moest ik ’s ochtends vroeg al gaan werken in de fabriek, ’s avonds maakte ik overuren als bediende in een hotel. Op die manier heb ik een goede baan weten te krijgen die bij mijn collega’s alleen maar respect afdwingt.’
Zonder te beseffen hoezeer deze pathetische woorden in strijd waren met de nederige positie die hij bekleedde, stelde hij Arthur dikwijls zijn neef Ludwig ten voorbeeld. ‘Dat is tenminste een jongen met karakter. Die heeft niet alleen doorzettingsvermogen, maar leert intussen ook op eigen benen te staan.’ Ludwig, die openlijk sympathiseerde met de nsb, was na de mulo opgeroepen voor het leger en had inmiddels de rang van sergeant bereikt. Als oom Theo en tante Dora op bezoek kwamen, liep hij omhoog naar de zolderverdieping, waar hij Arthur meestal lezend aantrof. ‘Zo neef, waar houd jij je nou eigenlijk mee bezig? Nog steeds met die boekjes van je?’ Hij sprak het woord met onverholen minachting uit. ‘Dat heeft toch totaal geen zin meer. In deze tijd komt het op daden aan. Kijk naar wat de Duitsers in Europa ondernemen.’ Vervolgens gaf hij een uitvoerige beschouwing over de wapenfeiten van het Duitse leger, aangevuld met een waarschuwing voor de communistische horden. ‘De strijd tegen het communisme zal de komende jaren in alle hevigheid gevoerd worden. Nee, die boekjes van jou kan je maar beter voorgoed dichtslaan.’
Ondanks dit soort tegenwerpingen schreef Arthur in het geheim opstellen die gepubliceerd werden in Het Letterkundig Maandblad. Bij toeval was zijn vader één van zijn artikelen over de Oedipus van Sophocles onder ogen gekomen. Met norse blik had hij zich er doorheen geworsteld, om tot de conclusie te komen dat hij zijn geld over de balk smeet. ‘Daar betaal ik nou dat schoolgeld voor,’ sprak hij tegen zijn vrouw, ‘zodat mijn zoon dit soort belachelijke stukjes kan schrijven. Wanneer richt hij zich eens op dingen waar je werkelijk wat aan hebt in de maatschappij?’
Dat zijn vader geen geletterd man was, stond voor Arthur buiten kijf. In zijn hart vond hij hem dan ook een provinciaal, een kwalificatie waarmee hij hem steevast aanduidde in de sarcastische monologen die hij in gedachten steeds vaker tegen hem afstak.
Had Arthur in zijn jeugd nog weleens gehunkerd naar de goedkeuring van zijn vader, die verlangens waren naarmate hij ouder was geworden al snel verdrongen door gevoelens van afkeer en wrok. Als hij weer eens ruzie met zijn vader had en door zijn opstandige gedrag een klap in zijn gezicht had gekregen, kwamen niet alleen de ergste verwensingen in hem op, maar hield hij soms ook dagenlang zijn mond dicht. In huis heerste dan een dreigende stilte die zijn moeder op alle mogelijk manieren probeerde te doorbreken. ‘Als je eerst maar je schooldiploma hebt,’ zei ze tegen Arthur, ‘misschien dat je dan naar het conservatorium kan.’ Maar haar machteloze glimlach vormde voor Arthur het zoveelste bewijs dat de situatie nooit zou veranderen, en de kans dat hij ooit nog naar het conservatorium zou kunnen, leek voorgoed verkeken nu zijn vader het enige instrument dat hij bezat in de kachel had gesmeten.

Toen de oorlog uitbrak, veranderde er voor Arthurs vader niet veel. Hij behield zijn baan bij de Deutsche Handelsverein, waarbij hij vooral niet vergat te vermelden dat hij op goede voet stond met zijn Duitse superieuren, Steinmann en Von Brauning. Soms kwamen collega’s van hem over de vloer. Dan werd er beneden in huis bier gedronken en werd er tijdens het verloop van de avond steeds harder gelachen als een banale grap of een platvloerse anekdote werd verteld.
Voor Arthur, die thuis al de voortdurende dreiging van zijn vader moest ondergaan, nam met de oorlog ook de dreiging van de buitenwereld toe. Ondanks zijn intelligentie was hij in de vierde klas van de hbs blijven zitten, niet alleen als gevolg van zijn toegenomen isolement, maar ook door de treiterijen van sommige nsb-kinderen die hem na schooltijd achtervolgden. Zijn twee grootste kwelgeesten waren Rudi Tiggelaar, wiens vader een foute politieagent was, en Vincent Gödeke, de zoon van een fanatieke WA-man. Beide jongens hadden bij hem op de lagere school gezeten, maar waren vervolgens naar de ambachtsschool gegaan.
‘Zo, Rosenthal, maken we er vandaag een leuke dag van?’ zei Tiggelaar toen hij hem op straat tegen het lijf liep.
‘Hoe is het met die zwakzinnige zus van je?’ vroeg Gödeke. ‘Wordt ze nou gewoon vastgebonden of loopt ze vrij door het huis?’
Zwijgend liep Arthur voort, op zijn hoede voor de klappen die hij elk moment kon verwachten.
‘Wil meneer niets zeggen?’ zei Tiggelaar, die een grove en pokdalige huid had. ‘Die arrogantie hebben jullie Joden nog altijd niet verleerd, hè?’
‘Maar hij is niet volledig Joods,’ sprak Gödeke. ‘Hij is slechts halfjoods.’
‘Dat is waar,’ beaamde Tiggelaar. ‘Maar ook al is zijn vader geen smous, hij is wel met een Jodin getrouwd. Je ziet wat eruit voortkomt: alleen maar gekke kindertjes.’
Gödeke moest lachen om die opmerking en zei: ‘Toch heeft jouw vader een baantje bij een Duitse firma weten te krijgen, nietwaar Rosenthal? Daarmee denkt hij bij de Duitsers zeker in een goed blaadje te kunnen komen?’
‘Dat gaat in de toekomst nog wel veranderen,’ sprak Tiggelaar. ‘Dan moeten de Duitsers hem echt niet meer.’
Om aan hun treiterijen te ontkomen had Arthur haastig een andere route genomen, terwijl hij vol wrevel dacht aan het verwijt van zijn vader dat hij zich niet wist aan te passen aan zijn omgeving. Hoe zou hij zich moeten aanpassen aan deze proletariërs, waar hij zich ver boven verheven voelde? Hoe kon hij waardering opbrengen voor deze arbeiderskinderen die hij verachtte tot in de kern van zijn ziel?
Maar op hetzelfde moment besefte hij dat deze hoogmoedige gedachten hem alleen in zijn fantasie voldoening konden geven, want diep in zijn hart had hij hen het liefst in hun buik geschopt tot zij kermden om genade. Eén zo’n overwinning zou hem meer vreugde hebben geschonken dan al zijn intellectuele fantasieën. Maar hoe zou hij ooit een dergelijke victorie kunnen behalen, hij die nauwelijks buiten kwam en nooit aan sport deed?
Voor Arthurs vader waren de treiterijen allerminst een reden om begrip op te brengen voor zijn zoon, eerder vormden zij een nieuw bewijs van zijn gebrek aan wilskracht. ‘Hoe vaak heb ik niet gezegd dat je je moet aanpassen. Dat geldt niet alleen voor jou, maar ook voor de Joden in deze tijd. Ze moeten zich assimileren (hij sprak het woord met nadruk uit nadat hij het bij toeval in de krant had gelezen). Kijk hoe ik me heb opgewerkt. Verheijen? Die hebben ze laatst ontslagen omdat hij niets presteerde. Kohnstam? Ook weg, en terecht, want dat was gewoon een uilskuiken. Maar ik heb de positie van Kohnstam gekregen. En niet alleen omdat ik mij heb weten aan te passen, maar ook omdat ik de juiste contacten heb weten te leggen. Relaties! Daar draait het om in deze tijd. Beziehungen zoals de Duitsers zeggen.’
Geïrriteerd over zo veel onbegrip had Arthur er maar het zwijgen toe gedaan.
Toen hij enige tijd later tijdens het avondeten gevraagd had of hij naar een andere school mocht, in de hoop daarmee de kwellingen te kunnen ontlopen, had zijn vader het idee onmiddellijk van tafel geveegd. ‘Wat is er mis met je eigen school? Wees blij dat je daar gewoon naartoe kan. Alsof je resultaten op een andere school trouwens beter zouden worden…’
‘Toe, vader,’ suste zijn moeder. ‘Hij probeert toch goede cijfers te halen…’ Ondertussen keek ze bezorgd naar Mireille, die met een stuurs gezicht in haar bord soep roerde en haar lepel moeizaam met haar kromme vingers vasthield.
‘Proberen!’ riep zijn vader honend. ‘Hele volksstammen proberen hun leven lang van alles, maar omdat ze zich niet weten aan te passen wordt het nooit wat! Van mislukking naar mislukking gaat het. Niets schiet je ermee op. Misschien dat de oorlog nog ergens goed voor is, dan wordt het kaf eindelijk eens van het koren gescheiden.’
‘Zijn cijfers waren vroeger altijd goed,’ zei zijn moeder. ‘Hij moet alleen nog wennen aan de nieuwe tijd…’
‘Je moest eens weten waar ik in mijn leven aan heb moeten wennen,’ zei zijn vader met een impliciete verwijzing naar zijn dochter. ‘Alsof dat nog niet erg genoeg is, wil meneer nu ook nog eens naar een andere school. In plaats van dat hij dankbaar is dat hij een goede opleiding krijgt, slaat hij rustig een jaartje over. Op zijn kamer zit hij te dagdromen over zijn muziek en zijn boeken. Artistiek denkt hij te zijn met die zogenaamde literatuur van hem. Alsof je daar iets mee opschiet. Het is oorlog, dacht je dat iemand op literatuur zit te wachten?’
‘Ik ben u heus wel dankbaar,’ zei Arthur timide, ‘maar het is niet altijd even makkelijk…’
‘Ach, word toch eens volwassen. Wie heeft je verteld dat het leven makkelijk was? Dat heb je niet van mij.’
Mireille begon te huilen en sloeg met haar lepel in haar soep. ‘Geen ruzie!’ riep ze terwijl de vlekken op haar kleren zaten.
‘Zie je nou wat ervan komt?’ zei Arthurs vader tegen hem. ‘Je zus aan het huilen brengen, daar ben jij goed in.’
Toen de zomervakantie naderde en Arthur bij de gedachte aan een langdurige periode van eenzaamheid vroeg of hij naar een muziekkamp mocht, was zijn vader furieus tegen hem uitgevallen. ‘Leer je het dan nooit?’ riep hij. ‘Wat denk je wel? Dat jij een artiest bent waar de wereld op zit te wachten? Een muziekkamp!’ brieste hij. ‘Geen sprake van!’