Dinsdag, 28 juli, 2009

Geschreven door: Marijnis, Paul
Artikel door: Baggen, Fred

Waandag

Romanpersonage met inkt in de aderen

Romanfiguren uit alle boekenkasten ter wereld, verenigt U! Gij hebt niets te verliezen dan uw toekomst!’ Aldus het hoofdpersonage uit Waandag, het laatste boek van Paul Marijnis (1946-2008), dat postuum werd gepubliceerd.

Linus Kalmoes, op staande voet oneervol ontslagen aspirant-assistent bij de Openlijke Leeskamer, afdeling Moeilijke Boeken Zonder Plaatjes, heeft gekozen voor een bestaan als romanfiguur. Een ambitieus personage is Linus bepaald niet: hij wil helemaal niets. Hele dagen lang ligt hij in zijn ledikant, omringd door stapels rode schoolschriften met daarin zijn aantekeningen en verhalen, die hij vervolgens raadpleegt opdat hij weet wat hem te doen staat. Hij is dus niet alleen protagonist, maar tegelijk ook schrijver van zijn eigen plot.

Op een dag, Waandag de drieëndertigste oktember, is Linus’ hospita mevrouw Van Dale het zat en besluit hem uit bed te trommelen, in bad te zetten en hem toe te vertrouwen aan de zorgen van haar ‘eigen zusterskind’, het jongste nichtje Marietje, die vervolgens met de wil- en doelloze Linus een gezellig dagje in de stad zal doorbrengen, ‘naar buiten, waar de meisjes fluiten’. En aangezien het mevrouw Van Dale menens is (‘willens of nillens of hardschiks, dat geef ik je op een zwart met wit papiertje’) moet Linus wel gehoorzamen, want wat geschreven staat volgt hij op, zoals het een volgzaam romanpersonage betaamt.

Zenuwarts Friso Tollenaar, die zich op aandringen van mevrouw Van Dale in Linus verdiept, diagnosticeert de ‘casus Linus Kalmoes’ als volgt:

Wordt Vervolgd

‘Op mijn spreekuur dan, verscheen een jongeman van begin twintig (…) Zijn loopbaan was die van een ambiteus en begaafd aspirant-assistent in een leeszaal. (…) Want hier werd hij tewerkgesteld bij de onderafdeling Moeilijke Boeken Zonder Plaatjes en vanaf dit moment ontwikkelde zich de waan die hem naar mijn spreekkamer zou voeren. Hij begon te denken dat hijzelf een figuur uit een Moeilijk Boek was (…) De onzichtbare macht in zijn leven noemde hij de Schrijver.
“Mijn problemen zijn te wijten aan de Schrijver,” hield hij vol. (…) “Hij heeft zijn aandacht van me afgewend en nu ben ik apathisch achtergebleven, zonder doel of taak. Als ik iets lees, wat dan ook, denk ik dat híj tot me spreekt, me iets beveelt of verbiedt.”’

De zenuwarts is aanvankelijk sceptisch over Linus’ waandenkbeeld. Later neemt hij diens vreemde trekjes over; in het psychiatrisch rapport beschrijft hij een fictief gesprek tussen hem en zijn patiënt, die steen en been klaagt over zijn lot:

‘“Niets is zo afgrijselijk als het leven van een romanpersonage in een Nederlandse roman! Altijd dezelfde provinciestadjes, dezelfde kleinburgers, kerkbanken en schoollokalen, altijd akelig eten: laatrealistische runderlapjes, postnaturalistische spruitjes en neoburgerlijke vla toe! (…) Om onze hedendaagse romans te lézen is al geen pretje, maar om ze te leven…” (…)

“In welke roman zou u dan willen leven?”

“In mijn eigen roman, misschien?”’

In de verte doet de verhouding tussen zenuwarts Tollenaar en zijn patiënt een beetje denken aan de stille film Das Cabinet des Dr. Caligari, waarin een psychiater manische trekken vertoont, gaandeweg verandert, en de kijker aan het slot met de vraag laat zitten wie er nou eigenlijk de waanzinnige was: Herr Doctor of de patiënt. In het geval van Waandag geldt die vraag niet alleen voor de arts, maar voor álle tegenspelers van de hoofdpersoon. Klopt Linus Kalmoes’ bewering dat hij een romanfiguur is? Is een personage pas écht een romanfiguur als hij dat zelf beseft? En als dat zo is, zijn alle anderen dan géén romanfiguren?

Linus’ schrijfsels vormen de bron en de zin van zijn bestaan. De rode schoolschriften waarin hij vlijtig noteert, zijn de encyclopedie van zijn eigen leven, en vertellen wat hij heeft gedaan of nog zal doen. Hij is in literaire zin Escher’s hand die zichzelf tekent. Helaas weet Marijnis in Waandag het thema, het van zichzelf bewuste romanpersonage, ondanks het surrealisme waarmee de roman doordrenkt is, niet naar een niveau à la Roald Dahl te tillen. Humoristisch is de roman zeker, maar toch liggen de scènes die aanleiding geven tot lachmomenten of meewarigheid er wat dik bovenop. Hoewel stuntelig, is het hoofdpersonage in zijn zelfbewuste willoosheid nergens écht aandoenlijk of beklagenswaardig. De vele, soms geforceerd aandoende taalgrapjes zijn in de meeste gevallen knap gevonden, maar vertragen op den duur de voortgang van het verhaal en wekken niet altijd de indruk noodzakelijk te zijn. Jammer ook dat te midden van alle fraai verzonnen namen van functies, topografische namen, voorwerpen en andere curiosa ineens de maar al te echte naam van NRC Handelsblad opduikt, de krant waarvoor Marijnis gewerkt heeft: het is een te realistisch element in de inventieve en geestige, onwereldse waan die hij Linus Kalmoes voor zichzelf heeft laten scheppen.