Dinsdag, 15 oktober, 2019

Geschreven door: Latour, Bruno
Artikel door: Veldman, Wouter

Waar kunnen we landen?

Politieke oriëntatie in het Nieuwe Klimaatregime

“De planeet is veel te krap en te beperkt voor de globe van de globalisering, maar te groot, veel en veel te groot, te actief en te complex, om opgesloten te blijven binnen de krappe, beperkte grenzen van welke lokaliteit dan ook. Wij worden allemaal twee keer ingehaald: door wat te groot is en door wat te klein is.”

[Recensie] Latours meest recente boek verdedigt de these dat we hedendaagse politieke fenomenen enkel kunnen begrijpen — of het nou om groeiende ongelijkheid, Brexit, vluchtelingenstromen of de waarheidsondermijningen van Trump gaat — als het vraagstuk van het klimaat en de ontkenning ervan centraal wordt gesteld. In enigszins Marxistische termen vat hij klimaat daarbij in brede zin op als “de verhouding tussen mensen en hun materiële bestaansvoorwaarden”, echter zonder daarbij de gangbare connotatie met ‘natuur’ of ‘milieu’ te vergeten. Volgens Latour is deze verhouding tussen mensen en hun materiële bestaansvoorwaarden ter discussie komen te staan, geproblematiseerd, of verdwenen. Dit geldt voor klimaatproblematiek in enge zin (denk aan opwarming van de aarde, massa-extinctie, vervuiling en uitputting van grondstoffenbronnen), maar ook voor daar ogenschijnlijk niet aan gerelateerde problemen zoals groeiende ongelijkheid en de toenemende populariteit van autoritaire politiek. Latour laat zien hoe klimaatproblematiek in engere zin ook in de bredere opvatting van klimaat een verschuiving teweeg heeft gebracht in de verhouding van mensen tot hun materiële bestaansvoorwaarden. Dit totaalpakket aan politieke problemen legt Latour uit als het gevolg van een en dezelfde beweging: de moderniseringsbelofte en haar teloorgang.

Waar een denker als Fukuyama de val van de muur las als het einde van de geschiedenis in positieve zin — de globale overwinning van de westerse liberale democratie en daarmee het eindpunt van ideologische strijd en ontwikkelingen — leest Latour het in meer kritische zin. Namelijk, als de gebeurtenis die het einde inluidde van het globaliserings- en moderniserings-narratief. Dit narratief, zo betoogt Latour, beloofde de toenadering tot een mondiale gemeenschappelijke horizon, gekenmerkt door een gelijkheid voor alle mensen, een afwijzing van bekrompen tradities en een steeds groeiend meesterschap over de natuur. Met betrekking tot de natuur behelsde het narratief ook de belofte van de wereld als onuitputtelijk grondstoffendepot. Een belofte die nog steeds fungeert als belangrijke voorwaarde voor de verwerkelijking van ‘The American Dream’: de mogelijkheid voor iedereen om deel te nemen aan een gemeenschappelijke wereld van almaar groeiende welvaart. Latour betoogt dat in de laatste decennia verschillende politieke factoren, in het bijzonder het klimaat, de geloofwaardigheid van dit narratief hebben doen kantelen.

Het Aardse

C2W

Alhoewel klimaatvraagstukken al langere tijd een rol spelen in het sociale en  politieke discours — in ieder geval vanaf de industriële revolutie — merkt Latour op dat de naoorlogse ecologische bewegingen in de politiek er nooit in geslaagd zijn om de tegenstelling tussen ecologische vraagstukken enerzijds en sociale of economische vraagstukken anderzijds te overwinnen. Klimaat bleef altijd een losstaand vraagstuk en werd niet of nauwelijks gerelateerd aan thema’s als ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Daarnaast is er lange tijd een spanning blijven bestaan tussen enerzijds ‘kiezen voor de planeet’ of wat Latour ‘het Aardse’ noemt, en anderzijds kiezen voor de mens en economisch belang. De boodschap van ecologische politiek bleef daarmee als regressief verhaal vaak moeilijk verkoopbaar. Latour legt bloot hoe deze spanning, evenals het onvermogen om klimaatproblematiek [en de ontkenning daarvan]

als fundamenteel aan moderne politiek te denken, verband houdt met het klassieke politieke links-rechts onderscheid, welke hij failliet verklaart.

Spanningsboog

In een ietwat vereenvoudigde weergave presenteert Latour dit onderscheid als de spanningsboog van de modernisering die zich beweegt tussen ‘het Lokale’ en ‘het Globale’. Afhankelijk van het agendapunt was het voorheen eenvoudig politiek links of rechts te lokaliseren als voorstanders van een van de twee polen van die spanningsboog. Ging het bijvoorbeeld om economie, zo legt Latour uit, was rechts veelal voorstander van verdere globalisering: het opengooien van de markt, terwijl links inzette op meer aandacht voor lokale belangen en het beschermen van de zwaksten. Daartegenover zou links juist wat betreft zeden en rolpatronen inzetten op een bevrijding uit het keurslijf van het Lokale, het traditionele; een beweging richting het Globale waartegen politiek rechts zich dan weer verzette.

Latour betoogt dat de hedendaagse klimaatproblematiek en de opkomst van ‘klimaat’ [of eigenlijk ‘het Aardse’] als dominante politieke actor ons ertoe dwingt deze verdeling tussen links-rechts en Lokaal-Globaal te heroverwegen. De natuur is niet langer de pittoreske passieve achtergrond van ons menselijk handelen of het grondstoffendepot ergens ‘out there’ dat we kunnen herschikken naar eigen inzicht. De natuur toont zich in de nasleep van de modernisering juist als weerstandige actor waarmee we zullen moeten leren samenleven. We kunnen niet langer kiezen voor ‘de mens’ of ‘het economische’ zonder ons daarbij ook te bekommeren om ‘het Aardse’. Problemen zoals het opraken van grondstoffen, de stijging van de zeespiegel of het uitsterven van (dier)soorten dwingen ons in toenemende mate het resolute uitsluiten van ‘de natuur’ uit het domein van ‘de cultuur’ op te geven en in plaats daarvan bij iedere politieke beslissing de invloed op en van het klimaat in overweging te nemen.

Thierry Baudet

Dat ‘het klimaat’ inderdaad is opgeklommen uit het bestaan als marginaal agendapunt van enkele partijen tot een dominante politieke actor blijkt in ons eigen land al uit het feit dat ook een politicus als Thierry Baudet er niet omheen kon bij zijn overwinningsspeech na de vorige landelijke verkiezingen uitgebreid aandacht te besteden aan het klimaat. Dat wil zeggen dat, hoewel Baudet de ernst of zelfs het bestaan van de klimaatproblematiek ontkent, het klimaat in belangrijke zin vorm geeft aan zijn politieke identiteit in de gevoelde noodzaak uitgebreid stil te staan bij de ontkenning van de problematiek. Evengoed is er in de retoriek van partijen als FvD sprake van klimaat in brede zin: deze partijen geven uiting aan de angst de verbinding met de eigen culturele bodem kwijt te raken. Het klimaatvraagstuk, dat steeds verder doordringt in het politieke, zou zich volgens Latour om deze reden moeilijk laten vangen in de traditionele onderscheidingen ‘Lokaal-Globaal’ of ‘links-rechts’. Het gaat niet langer om ‘wel’ of ‘geen’ globalisering, niet meer om de spanning tussen behoud van het oude of nastreven van het nieuwe. Politieke cultuur wordt nu in steeds sterkere mate bepaald door de nieuwe spanning tussen erkenning en ontkenning van het klimaatvraagstuk.

Niet alleen het politieke discours is door dit verlies van oriëntatie van haar oorspronkelijke bodem beroofd, ook de menselijke actoren zijn volgens Latour hun bodem kwijtgeraakt. Allereerst geldt dit voor klimaatvluchtelingen in de meest letterlijke zin. Zij zijn immers door deze problematiek van hun bodem verjaagd. Het verlies geldt echter evengoed voor hen die inzien welke dreiging de klimaatproblematiek vormt voor de moderne levensstijl en idealen, of juist voor hen die als gevolg van migratiestromen en klimaatretoriek angstig het kwijtraken van de eigen culturele bodem en gewoontes tegemoetzien. De klimaatproblematiek en het ermee samenhangende verval van het moderniseringsnarratief dwingen ons om onze oude grond achter te laten en op zoek te gaan naar nieuwe manieren van samenleven — met elkaar, maar bovenal met deze ontwikkelingen. Als we de globaliserings- en moderniseringsdroom al kunnen duiden als ‘onze’ oude universaliteit (voor zover het niet louter die van het Westen was), merkt Latour dus op dat het die verbindende functie nu al helemaal niet meer vervult. De nieuwe ‘perverse’ universaliteit die ons vandaag de dag bindt, zo stelt hij, “is dat we voelen hoe de grond het onder ons aan het begeven is.”

Vandaar de titel van het boek ‘Où atterir?’ — door Rokus Hofstede met een extra vleugje wanhoop vertaald als ‘Waar kunnen we landen?’; waar nu heen, nu we onze gemeenschappelijke grond hebben verloren?Met de toevoeging van ‘kunnen’ in zijn vertaling benadrukt Hofstede bovendien de moeilijkheid en potentiële onmogelijkheid van het vinden van een nieuwe gemeenschappelijke bodem die tegelijkertijd ‘het Aardse’ voldoende in acht weet te nemen. Op dezelfde manier onderstreept het vraagteken in het origineel het vragende in plaats van oplossingsgerichte karakter van Latours betoog. Latour doet dan wel een poging een (voorlopige) richting te geven aan het vinden van zo’n nieuwe grond, hij windt geen doekjes om het feit dat een dergelijke vondst vooralsnog is uitgebleven. Hofstede’s vertaling lijkt alleen op basis van de titel dus al treffender dan die van zijn Engelstalige collega, die koos voor het veel minder treffende ‘Down to Earth’.

Herkansing

Enerzijds klopt het dat Latours boek kan worden begrepen als een poging de lezer zowel in letterlijke als figuurlijke zin ‘down to earth’ te brengen met betrekking tot politiek en klimaat. In het slot van het boek kan dan ook een duidelijke suggestie worden gevonden voor de grond waarop Latour ons zou willen laten landen. In de laatste noten van het werk zingt de auteur een uitnodigende persoonlijke lof op een Europa dat eensgezind haar verantwoordelijkheden voor het Aardse erkent en op zich neemt, en zich aldus aanbiedt als nieuwe gemeenschappelijke grond om op te landen. Latour presenteert dit terecht als een herkansing voor Europa in het geopolitieke spel, een herkansing die ze met het oog op de geschiedenis wellicht niet direct verdient, zo geeft hij toe, maar die desalniettemin als toekomstmuziek de eerste lijnen blootlegt van een van de mogelijke nieuwe vruchtbare gronden.

Anderzijds moet worden toegegeven dat Latours suggestie voor een ‘oplossing’ weinig concreet of stevig onderbouwd is: een echte grond geeft hij niet. Dit is wellicht in het algemeen tekenend voor de meer theoretische kanten van het boek. Enkele begrippen zoals Lokaal en Globaal ontvangen dan wel enige theoretische uitleg, maar ook dit blijft vaak beperkt tot een theoretisch gezien relatief oppervlakkige uiteenzetting, waarbij een serieus gesprek met bestaande politieke filosofie en klimaatfilosofie ontbreekt. Wie zoekt naar meer theoretische diepgang kan zich dan ook beter storten op het eerdere en uitgebreidere Oog in oog met Gaia (ook in vertaling uitgegeven door Octavo). Het zou echter kortzichtig zijn het boek op deze gronden af te schrijven. In plaats van zware theoretische reflecties gaat Latours aandacht juist uit naar het op een toegankelijke en uitdagende wijze aanzetten tot een kritisch bevragen van onze huidige politieke oriëntatie en het blootleggen van de problemen waar het klimaatvraagstuk ons mee confronteert. Het achterwege laten van het vraagteken in de Engelse vertaling verhult dat het werk — méér dan een poging ons te gronden — tegelijkertijd en vooral poogt ons bewust te maken van een ontbrekende zekere grond om op te landen, zodat Latour ons uiteindelijk bewust deels in het luchtledige laat hangen na het dichtslaan van het boek. In de slechts honderdtwintig pagina’s die het betoog telt zet Latour op heldere wijze uiteen waarom het nodig is, en wat het betekent, om de hedendaagse politiek te begrijpen vanuit het Aardse als politieke actor.

Eerder verschenen in Splijtstof