Zondag, 2 februari, 2020

Geschreven door: Sartre, Jean-Paul
Artikel door: Hurkens, Robin

Walging

Sartre over walging

 
[Essay] Iemand wiens naam ik niet zal noemen, vertelde mij onlangs dat hij walgde van transgenders. Merkwaardig. Is iemand die van een ander walgt soms bang voor besmetting? Ik houd normaliter niet van dit soort psychologisering, maar in dit geval heeft het wel een biologische basis. Walging lijkt in de eerste plaats een door de evolutie ontwikkeld systeem te zijn om je lichaam te beschermen tegen pathogenen en parasieten. Door met een brede boog om iets heen te lopen dat naar rotting of bederf ruikt, voorkom je dat je het binnenkrijgt. Maar soms is er sprake van overcompensatie. Eén kakkerlak in een schaaltje kersen en je hoeft geen van die kersen meer, maar het omgekeerde geldt niet: Eén kers in een schaaltje kakkerlakken maakt de kakkerlakken er niet aantrekkelijker op. De angst voor besmetting lijkt een fundamenteel onderdeel van walging te zijn. Dat geeft te denken.

Walging. Sinds het lezen van Sartre’s La Nausée in mijn studententijd heb ik er zelden meer bij stilgestaan. Walging. Ik ken dat niet echt. Ja, alleen als iets heel erg dichtbij is: als je gedwongen wordt iets te eten wat je echt niet lust, of als iemand intiem is terwijl je daar niet van gediend bent. Walging heeft voor mij in elk geval altijd te maken met iets dat tastbaar en dichtbij is, en niet met een abstract begrip, zoals ‘een bepaalde groep mensen’ die je niet persoonlijk kent. Het lukt me werkelijk niet te begrijpen hoe mensen kunnen zeggen “ik walg van homo’s” of “ik walg van moslims”, of “ik walg van Turken” of “ik walg van Joden” of “ik walg van transgenders”. Deze uitspraken komen eigenlijk allemaal op hetzelfde neer: ze zijn abstract. Het gaat elke keer om hele grote groepen mensen die je dus nooit allemaal kunt kennen, mensen die allemaal weer heel verschillend zijn en die je dus nooit als groep kunt karakteriseren.

In een poging iets van die abstracte vorm van walging te begrijpen, heb ik La Nausée van Sartre weer eens gelezen. Want hoewel hij de walging zeer zintuiglijk en indringend beschrijft is deze walging tegelijkertijd opvallend abstract. Deze walging is namelijk gericht tegen alles en iedereen; het betreft zowel zichzelf, als de ander. Deze walging betreft zelfs alle dingen. Het betreft het bestaan zelf. De walging die Sartre voelt als hij op een bankje aan de voet van een kastanjeboom zit, is inmiddels wereldberoemd. Een parafrase:

‘De wereld was overal aanwezig. Het ergerde mij, er was geen enkele reden waarom de wereld bestond. En dan die bomen. In die grote onhandige gevaartes, die half vermolmde misbaksels met hun afgeschilferde stammen, zou ik een kracht moeten zien die zich opricht naar de hemel? Ik zie eerder een ineenstorten, ieder moment verwachtte ik te zien hoe de stammen van de bomen ineenschrompelden en in elkaar krompen tot ze als slappe gerimpelde hoopjes op de grond lagen. Ze hadden er geen zin in om te bestaan maar konden er niet mee ophouden, dat was het gewoon. Het was een doodse armetierige overvloed die zichzelf alleen maar tot last was. Ik had het gevoel alsof ik stikte. Ik was bang, maar ik was vooral boos, woedend was ik op het logge absurde bestaan van de dingen.’  

Wordt Vervolgd

Hoe komt Sartre nu aan die onmetelijke walging? In zijn autobiografie schrijft hij dat hij is opgegroeid tussen de boeken. Hij verslond literatuur en vond deze wereld spannend en mooi, en daarnaast groots, diep en authentiek. Sartre beschrijft ook dat het hem diep heeft geschokt om rond zijn tiende jaar te ervaren dat de wereld van alledag heel anders was dan in de boeken: niet alleen veel grauwer en saaier, maar ook veel vijandiger, harder en ruwer.

Later werkt Sartre deze ervaring van walging uit in zijn filosofische kernbegrip ‘contingentie’. In een documentaire vertelt hij dat de notie ‘contingentie’ bij hem is opgekomen toen hij in de bioscoop zat en zich opeens realiseerde, dat een landschap in een film weliswaar een eenheid vertoont die past bij de gevoelens van de personages, maar een echt landschap ontbeert het aan zo’n eenheid. In werkelijkheid is een landschap zoals het is, zonder enige reden, betekenis of zin. Het punt waar het Sartre om gaat is dat niet alleen in de film, maar ook in het gewone leven het gratuite, naakte bestaan voortdurend wordt toegedekt en met zogenaamde betekenis en zin. Anders gezegd: mensen doen voortdurend hun best om te leven in een afgeschermde en geordende wereld waarin het bestaan en alles waarmee we het zo druk hebben, plaats en betekenis heeft. Deze ‘valse zingeving’ is de voorbode van wat Sartre later ‘mauvaise foi’ zal noemen: ‘kwade trouw’. Deze ‘kwade trouw’ heeft te maken met leugenachtigheid en bedrog, maar is iets anders dan een gewone leugen of boerenbedrog, het is eerder zoiets als zelfbedrog, waaraan alle mensen schuldig zijn. Heel vaak zeggen of denken we namelijk dat we iets niet kunnen terwijl we datgene best hadden gekund als we het maar zouden willen. En ook al doen we of zeggen we niet altijd wat we willen, we zijn toch verantwoordelijk voor wat we zeggen en zijn, zo meent Sartre: We zijn vrij en verantwoordelijk; en daar valt niets aan te veranderen. Deze vrijheid en verantwoordelijkheid vormt de tegenhanger van de contingentie die Sartre zo verafschuwt, maar die hij wel wel onder ogen moet zien. Zo komt Sartre tot zijn paradoxale uitspraak “We zijn gedoemd om vrij te zijn”. We hebben zelfs niet de vrijheid om onze vrijheid af te werpen. Heel veel mensen doen wel alsof ze niet vrij zijn, maar zo proberen ze gewoon hun verantwoordelijkheid te ontlopen. En dat laatste heet dus ‘kwade trouw’.

Wat heeft dit alles nu met die walging te maken?

Wanneer Roquetin, de hoofdpersoon uit La Nausée, wordt geconfronteerd met de grote bomen in het stadspark, gebeurt er iets vreemds. Het is alsof hij opeens oog in oog staat met de ondoorgrondelijkheid van die bomen. Want je kunt bomen wel zien als iets dat je al zo vaak hebt gezien, je kunt die bomen zien als iets waaronder je kunt schuilen – als het regent bijvoorbeeld, of als iets moois en machtigs, of als een object van biologisch onderzoek of als – ja, als wat niet eigenlijk? Maar dat alles zegt nog niks over ‘de boom op zichzelf’, want die is veel meer dan alles dat wij erbij kunnen verzinnen. En nu komt het: de ‘boom op zichzelf’  is zo complex en zo veel dat het in zekere zin weer helemaal niets wordt. Ze is eigenlijk gewoon te veel. Wanneer we die boom niet vanuit een bepaald perspectief tegemoet treden, openbaart ze zich pas werkelijk aan ons, maar dan als iets dat helemaal nergens in past, als iets dat volkomen zinloos en amorf is, zonder reden, even contingent als het eigen bestaan. En zo definieert Sartre de walging: het is de ervaring van de onverzettelijkheid van de wereld, want bestaan, dat is ‘er zijn’, zomaar, zonder enige zin, en zodra we ons daarvan bewust van worden, kunnen we niet meer ontsnappen aan de walging.

Eerder verschenen op Robin Hurkens