Zondag, 25 november, 2018

Geschreven door: Thoreau, Henry David
Artikel door: Knoppers, Rijkert

Wandelen

Kuieren, slenteren of wandelen?

[Recensie] Wie op internet zoekt op het lemma wandeltocht krijgt zo’n 1.230.000 hits, de term wandelclub levert 216.000 treffers op, terwijl de niet zo gebruikelijke omschrijving flaneren toch nog in 289.000 gevallen raak is. Deze kleine onwetenschappelijke speurtocht wijst ontegenzeggelijk in een richting: het wandelen is in ons land een populaire activiteit. Maar zijn we werkelijk wel echt aan het wandelen? Of slepen we ons hooguit enkele kilometers vooruit, op de vrije zondagmiddag, op weg naar het dichtstbijzijnde café?

“In de loop van mijn leven heb ik maar een paar mensen ontmoet die de kunst van het wandelen verstonden, of beter, de kunst van het kuieren,” schrijft de Amerikaanse filosoof, natuuronderzoeker en dichter Henry David Thoreau in zijn pamflet, dat op 6 mei 1862 vlak na zijn dood verscheen. Want wat het begrip wandelen in zijn ogen inhoudt komt meestal niet overeen wat de gemiddelde wandelaar op dit vlak denkt te doen. “Meer dan tochtjes zijn onze expedities niet, ’s avonds eindigen ze weer bij de vertrouwde haard vanwaar we vertrokken.” Nee, volgens Thoreau (1817-1862), begint het echte kuieren pas als je van iedereen afscheid hebt genomen, inclusief je vrouw en kinderen, in de wetenschap dat je nooit zal terugkeren. Dat is pas wandelen!

En dat echte wandelen betekent dat we naar de velden en de bossen gaan, want: “wat zou er van ons worden als we alleen maar in tuinen of door lanen wandelen?” Nu kon Thoreau overigens makkelijk praten over het afscheid nemen van iedereen, want hij leefde zelf als een kluizenaar en was nooit getrouwd, dan is het achterlaten van je vrienden en kennissen waarschijnlijk niet de moeilijkste klus.
Thoreau, die destijds vooral bekend raakte door zijn boek Walden uit 1854 over het leven in een zelfgebouwd huisje in een bos, was in elk geval niet bang om te verdwalen. En dat terwijl hij niet over kaartmateriaal of – vanzelfsprekend – over moderne oriëntatieapparatuur beschikte. Hij vertrouwde op een subtiel magnetisme, dat van nature aanwezig zou zijn en altijd de weg zou wijzen, alleen uit domheid of onachtzaamheid liep volgens hem iemand wel eens verkeerd. In de praktijk betekende dit voor hem dat hij bij het verlaten van zijn huis eigenlijk altijd naar het zuidwesten wandelde. Hoe hij aan het eind van de wandeling dan toch weer thuis wist te komen, blijft onduidelijk.

Een echte wandelaar, zoals Thoreau, let ook niet op de tijd. Zelf bleef hij naar eigen zeggen alleen gezond en levenslustig als hij dagelijks minstens vier uur lang de benen strekte. Waar Thoreau zich niet over uitlaat is hoe de gemotiveerde slenteraar dan aan het geld voor het levensonderhoud moet komen. Of moet iedereen zijn voorbeeld volgen en sober in een hutje in het bos gaan wonen?
Het is al met al een vermakelijke beschouwing, al valt de inhoud niet altijd even serieus te nemen. In een voorwoord maakt Norbert Peeters duidelijk dat het Engelse woord ‘walking’ zowel lopen als wandelen betekent. Het verschil is, dat lopen een functionele betekenis heeft, terwijl wandelen niet gericht is op het bereiken van een bepaald doel.

Bazarow

Ook in het nawoord van Jelle Reumer komt nog de nodige toelichting op het begrip wandelen naar voren: wandelen als lichamelijke activiteit is volgens Thoreau zinloos, verduidelijkt Reumer, het gaat om de introspectie. Daarom is het goed dat dit boekje is verschenen, met als voornaamste les: ga vooral niet wandelen, slenteren of flaneren! Ga lekker zitten in een luie stoel en neem de inhoud van dit geschrift tot je. Zo bespaar je tijd en moeite en het levert dezelfde geestelijke rijkdom op!

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles