Dinsdag, 17 oktober, 2017

Geschreven door: Eickholt, Wim
Artikel door: Onbekend

Wat ik nou toch heb meegemaakt

Leven in de goot

[Voorpublicatie] Voormalige middelbare school docent Wim Eickholt raakte zijn huis kwijt, kwam op straat terecht en was een jaar dakloos. In Wat ik nou toch heb meegemaakt doet hij verslag van zijn belevenissen als dakloze en ook hoe hij er zich weer uit wist te knokken.

De Leesclub van Alles publiceert uit Wat ik nou heb meegemaakt het voorwoord en het verslag over de maand januari 2015.

Voorwoord

Zwerven, leven op de straat, de ultieme vrijheid. Leven zonder bindingen. Leven zonder verantwoordelijkheid. Niet weten wat de dag zal brengen. Mooi bezongen in weemoedige liedjes. De blues van Harry Muskee, Ry Cooder en Tom Waits. Prachtig vormgegeven in ontroerende films als Paris Texas en Barfly. Mooie shots van helden die aan het eind de zonsondergang tegemoet rijden. Ver weg van alles en iedereen.

Wordt Vervolgd

Helaas kloppen deze romantische beelden niet. Bukowksi, de schrijver van de roman Barfly, vertelde dat de vrouw die model stond voor zijn hoofdpersoon Wanda, jong is doodgegaan.
Ze overleed vrij snel na het verschijnen van zijn bestseller. Op, gewoon op.
Zo erg eindigt het niet vaak, maar de werkelijkheid van dakloosheid is rauw. Rauwer dan je denkt en kan bevatten als je er niet in geleefd hebt. Voor mij was het helaas learnin’ the hard way. Dit boek is een terugblik op mijn jaar als dakloze. Een pretentieloos verslag van mijn leven in 2015. Hoe ik het ervaren heb in het putje. En hoe ik uit het dal ben gekropen. Was het allemaal voorbij na 31 december 2015? Nee, de angsten en twijfels zijn er nog steeds. Elke dag. Maar ook kracht. Hernieuwde kracht.

Wim Eickholt

Januari 2015

Donderdag 1 januari 2015

‘Happy new year, happy new year.’ Twaalf uur, ABBA luisteren op de bank bij Moniek. Mijn levensreddende engel Moniek.
2015: a brand new start.
2014: afgelopen, voorbij.
2014: mijn eigen koophuis weg, verkocht.
Een aantal spullen in de opslag. Een gedeelte weggegeven. De rest in twee grote vuilcontainers.
Terugkijken in spijt heeft geen zin. Er is veel gebeurd om me heen.
Er is veel gebeurd met mij. Te veel. Ik drink. Ik drink te veel.
Waarom? Goeie vraag. Heb ik nog steeds geen goed antwoord op.

Ik weet wel wat het effect op me is. Lichamelijk ben ik een wrak, ondanks mijn leeftijd. Heb totaal geen evenwicht meer in mijn lijf.
Ik loop niet, ik schuifel. Een trap zonder leuning kom ik niet op. Ik moet altijd in de buurt van een wc zijn. Anders pis ik in mijn broek. Om op mijn herenfiets te stappen, moet ik een hoge stoeprand zoeken. Verdomd lastig om mijn been over de stang te krijgen.
Mijn gebit is verruïneerd. Het pronkstuk: een groot zwart gat tussen mijn voortanden. Op een dag viel er een stuk tand uit.
Gewoon. Lachen doe ik met mijn hand voor mijn mond. Ik ben een zorgmijder. Ik ben aan het vervuilen. Doet me niks. Ik zie het zelf niet eens meer. Ik heb alle schepen achter me verbrand. Nieuwe bouwen kan ik niet. Ik ben bang om stappen te ondernemen, die de schijnzekerheden waarmee ik leef, onderuithalen.

Slechts een paar mensen uit mijn vorige leven spreek ik nog. Ik ben te beschaamd en te angstig om de buitenwereld te laten zien hoe ik nu echt leef en in elkaar steek. Als ik bij mijn ouders op bezoek ga, speel ik toneel. Ik speel een persoon die een klein beetje tegenslag heeft. Iemand die er zo weer bovenop is. Geestelijk wisselt het. Soms heb ik het idee dat lang niet alles tot me doordringt. Dat ik een beetje apathisch ben geworden. In de kroeg en op straat probeer ik af en toe nog mee te doen met wat intelligent klinkende discussies.

Gelukkig heb ik nog wat geestelijke bagage. Met dank aan de Kijk, het blad dat ik vroeger thuis verslond. Allemaal triviale kennis, waar je niks aan hebt. Maar het geeft een soort van status. In ieder geval voor mezelf. Soms heb ik angst. Angst voor de onbekende afgrond waar ik naar toe aan het lopen ben. Is het daarom dat ik te veel drink? Ik weet het niet. De drank is er gewoon. Elke dag.

Zondag 4 januari

Sinds negen maanden woon ik op een kamer. Het huis waar ik die kamer bewoon, staat redelijk dichtbij de binnenstad. Vlakbij het huis is de Jumbo. Dodelijk dichtbij voor het halen van goedkope kartonnen pakken rosé. Om de hoek zit de al even dodelijke Mitra. Mijn eigen huis is vorig jaar verkocht. Dat besloot ík niet. Dat werd voor me besloten, door meneer Bank, meneer Geldschieter. Die zei: ‘Dit gaat zo niet langer, we gaan nú uw huis verkopen.’ Het ging heel netjes en beleefd. Ik had een half jaar niets meer afgelost.
Of langer, dat weet ik niet meer. Het huis was redelijk snel verkocht. Ik was er slecht aan toe. Veel details uit die tijd herinner ik me niet.

Af en toe was er een stem in me die zei: ‘Wim, het gaat niet goed.’
Verder had ik weinig besef van wat er gebeurde.
Apathie.
Laksheid.
Ondertussen blijven geloven dat het allemaal echt goed zou komen.

Maandag 5 januari

Ach, ik kom wel ergens anders te wonen, dacht ik, toen mijn huis was verkocht. Totaal irreëel. Op het laatste moment kwam engel Moniek met een oplossing. Ze had een vriend die een kamer te huur had.

Van de verhuizing herinner ik me dat ik op een matras in de kamer lag. Om me heen waren vrienden en buren bezig dozen in te pakken. Ze regelden ook opslagruimte bij Shurgard. Mijn bank heb ik zelf weggegeven, aan de speeltuin in de buurt.
Nu woon ik in deze kamer, aan de andere kant van het station.
Ik zou hier een passant zijn. Maar ik ben nog steeds niet weg.
De kamer is vrij groot, maar heeft één groot nadeel. Als ik naar de wc moet, moet ik een steile klotentrap op. Dat lukt me niet. Pissen in een emmer dus. En wachten tot de huisbaas is vertrokken, zodat ik de emmer ongezien kan legen. Keeping up appearances.

Ik word steeds immobieler. Fietsen durf ik nog wel, maar alleen rechtuit. Niet te veel tegenliggers graag! Op- en afstappen is een crime geworden.
Ik sta vroeg op. Mijn ritme heb ik altijd gehouden. Niet tot twaalf uur in je nest blijven liggen. Word je lamlendig van. Veel komt er niet uit mijn handen. Ik ben blij als René, de huisbaas, een klus voor me heeft. Hij is zijn huis aan het opknappen. Soms help ik hem met schilderen of een klus in de tuin.

Ik ga zo vaak mogelijk bij engel Moniek langs. Om te douchen en een beetje te ontsnappen aan mijn kamer.
De douche in het huis waar ik woon is een armoedig klein rotding. Moniek zet me gezond eten voor. Dat ze me nog steeds wil zien, is een soort van wonder voor mij. We hebben een paar jaar een relatie gehad. Ik heb haar belazerd, door een stiekeme verhouding met Vera te beginnen. Vorig jaar   ik Moniek toevallig weer tegen, op de vijf mei rommelmarkt. Ze stopte bij de kraam die ik voor mijn huis had ingericht. Ze zag dat het niet goed met me ging, maar wilde toch weer contact. Moniek blijft me steunen.
Hoe lang nog?

Woensdag 14 januari

Vandaag weer een dag gesleten met nietsdoen. Een praatje maken op straat, wat lezen op mijn kamer, wat fantaseren. Het leven passeert gewoon.
Bij de Jumbo haal ik tankjes rosé van drie liter. Twee tankjes per dag. Plus een fles wodka of whisky bij de Mitra.

Als het droog en niet te koud is, zit ik buiten op de stoep. Buurman Michael is nachtportier en uitsmijter. Overdag is hij vrij. We ouwehoeren meestal over niks. Ik drink koffie of grote glazen cola, gemengd met wodka en whisky. Ik weet niet of Michael dat merkt.
Hij zegt er nooit iets van.
Op mijn kamer is niet te zien dat ik drink. Mijn bed staat tegen de verwarming, daar kan ik de drank achter zetten. Dekbed eroverheen en je ziet er helemaal niks van.

Zondag 18 januari

Plotseling is er een einddatum voor het wonen op mijn tijdelijke kamer. ‘Dan wordt het de Sleep Inn’, zegt Moniek. Ik kan de huur niet meer betalen. De huisbaas vraagt twintig euro per dag. Zo’n zelfde bedrag ben ik iedere dag kwijt aan drank. Het geld dat over was na de verkoop van mijn huis is op. Opgezopen.

Klote, maar zo’n vaart zal het toch niet lopen?
Dat zegt de optimist in mij.
Moniek is duidelijk. Huisbaas René ook.
Ik moet eruit, zo snel mogelijk.