Zaterdag, 21 maart, 2009

Geschreven door: Heijden, A.F.Th. van der
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Weerborstels

Van kinderschoentjes tot een wieldop

Weerborstels was het boekenweekgeschenk van 1993, en maakte als ‘intermezzo’ deel uit van A.F.Th. van der Heijdens romancyclus ‘De tandeloze tijd’. Het is de geschiedenis van vader en zoon, senior en junior Robert Egberts, beiden verslaafd aan snelheid, beiden met een eigenaardige angst – de vader, met één blind oog, om gezien te worden, de ander om te merken dat hij doodgaat. Het is de geschiedenis van een strijd met de tijd. Het is stilistisch en narratologisch een meesterwerkje.

Met uitzondering, misschien, van een enkele dialoog, maar dat later. Het perspectief van Weerborstels is dat van Albert Egberts, neef van beide Roberts, de hoofdpersoon van de gehele cyclus. Ik moet bekennen die te lang geleden te hebben gelezen om deze novelle in het geheel te plaatsen, maar het verhaal kan zonder die context, het is af: de jonge Robert, Robby, die zich al vroeg spiegelt aan zijn vader, de oude Robert, op jonge leeftijd verminkt, die vlucht in de amateurwielrennerij, over hoe hij het wielrenvirus overbrengt op Robby, die succesvol blijkt in weg- en veldrennen, maar meer voelt voor motorrijden, al dan niet over brandende auto’s heen. De redenen die oom Robert heeft om snel te zijn, verwijderen hem van zijn echtgenote, neef Robby’s snelheid brengt hem weer sneller bij zijn dood, een gruwelijk ongeluk van tweehonderd kilometer per uur tegen een boom. En Robert kan het niet geloven: ‘Hij is niet dood.’

Dat zijn de abstracties, maar Van der Heijden vertelt het in beelden. Weerborstels begint zo:

‘Ik ben nooit een schoenfetisjist geweest, god nee, verre van dat; ik heb niks met schoenen, althans niet meer dan de meeste mensen sinds onze voorouders hebben besloten dat dat rechtop lopen van ze niet zo maar een gril was. Dat neemt niet weg dat ik aan het eind van een mooie junimiddag in ’61 bijna verliefd, in ieder geval behoorlijk weemoedig, in onze achtertuin aan een hele rits verloren kinderschoentjes stond te denken, allemaal zo tussen maatje 27 en 38. Aan een heleboel laarsjes van die maten ook.’

Hereditas Nexus

Het beeld beklijft, het blijft langer hangen dan wat ik ooit heb gezien van de shows van toen, De Telescoop en Indra Kamadjojo, maar wat wil Van der Heijden ermee? Het is die idylle van onschuld, de aanwijzing dat de kinderen uit de buurt bij dat gezin tv aan het kijken zijn, die verloren gaat als Alberts oom Robert de antenne plaatst op hun eigen huis. En Alberts weemoedigheid daarom staat in schril contrast met de stoere taal die de zesjarige Robby uitslaat (‘Kiekt die’n dolle nou weer ’s stoer doen’). Als Robert dan plots verdwenen is: ‘“Ik ga maar ’s op straat kijken,” zei Robby verbeten, maar zonder een spoor van paniek, “offie d’r niet van afgeflikkerd is.”’

Een voorspiegeling van Robby’s ‘fatale autonomie’. ‘Nog zonder dat hij het zelf wist: het was hem ernst, Robby.’ Vanaf dat moment zal onze verteller Albert zijn neef nog enkele malen ontmoeten, telkens met een mengeling van verwondering en fascinatie: wie is deze waaghals, deze jongen die steeds sneller wil, de tijd, het leven overwinnen, volgens de algemene relativiteitstheorie: hoe sneller, hoe lichter. Wat ‘professor Albert’ ook zegt, zo moet het zijn volgens Robby.

‘“Sneller, lichter, akkoord. Maar om ook maar een beetje lichter te worden… ik bedoel, een beetje meer licht uit te stralen… moet je je aantal kilometers wel tot in het uitzinnige opvoeren. Nooit bang ’m te piepen?”
[…]
Robby haalde zijn schouders op. “Nee, wel bang om ’r niet fatsoenlijk tussenuit te knijpen.”
“Bang om voor je leven invalide te raken, bedoel je?”
“Oh…!” Robby stampte kreunend van ergernis heen en weer langs de waterkant. “Hoort nou toch ’s zo’n intellectueel! Jij snapt ook niks, he, jij? Jij hebt nooit nergens niet van gehoord, he? Nee! nee! en nog eens nee! Ik ben er niks bang voor om de rest van m’n leven met anderhalve poot en een halve kloot in ’n wagentje te zitten. Evengoed lullig, als het zover komt, maar ’t heeft er niks mee te maken. ’t Is wel een kwestie van in de rats zitten om de pijp uit te gaan, maar ‘m tegelijkertijd knijpen om niet… O, stik de moord, hoe zeg je dat zo gauw? Jij hebt daarvoor gestudeerd, ik niet. Laat ook maar zitten ook.”’

Er zit in dit gesprek iets gewilds, de verhoudingen kloppen niet: de verteller-ondervrager is te nieuwsgierig, te onderzoekend om een gelijkwaardige relatie op te bouwen met zijn gesprekspartner. En die ongelijkwaardigheid krijgt nadruk door Robby’s eenvoudige Eindhovens en Alberts irritante neiging om alles meteen te analyseren. Het is een ongemakkelijk gesprek met een al te hoog, opgelegd doel: een metafysische dimensie aan de persoonlijke tegenstellingen. Maar hoewel je kritiek kan hebben op de uitvoering, het werkt wel, als een katalysator van de gebeurtenissen, een versneller en verlichter van de strijd tegen het monster dat de tijd is, door de één met meer gas, door de ander met betere woorden uitgevochten.

Toch: ga nooit de strijd aan met een schrijver, want die heeft per definitie het laatste woord, en Van der Heijdens laatste hoofdstukken zijn van een monumentale schoonheid, een gedenkteken voor beweging en beschouwing, voor Robert en Robby, voor de taal en de tijd, vastgelegd in een langzaam tot stilstand gebrachte wieldop. Dat glimmende ding ligt van onnut te zijn bij de plaats des onheils, even levenloos als kinderschoentjes, maar in zijn kilheid symbool van dat eindpunt: de dood. Zijn Van der Heijdens dialogen niet altijd naturel, zijn beschrijvingen zijn fenomenaal, en zijn vaardigheid een verhaal, een motief en personages op te bouwen, is prachtig geïllustreerd in een van de beste boekenweekgeschenken van de afgelopen decennia, van een van de beste schrijvers van deze tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *