Woensdag, 29 april, 2020

Geschreven door: Withuis, Jolande
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Weest manlijk, zijt sterk

Man tussen de mannen

[Recensie] In weinig passages in de grondige biografie van Jolande Withuis wordt verzetsheld Pim Boellaard (1903-2001) sympathiek. Minutieus beschrijft Withuis het leven van Boellaard, van wieg tot graf, maar zelden krijg je warme gevoelens voor de man, terwijl hij in alles een oorlogsheld was. Boellaard was telg uit een geslacht van generaals en groeide op in een behoudend Oranjegezind milieu. Hij koos niet als zijn vader voor een militair bestaan, maar studeerde in Rotterdam aan de Handelshooge School, de voorloper van de Erasmus Universiteit. Boellaard werd er lid van het studentencorps, geheel gebruikelijk voor jongens uit zijn milieu. Hij doorliep zijn diensttijd in Breda en werd reserveofficier, hij trouwde met de dochter van een barones. Na studie- en diensttijd kwam Boellaard in het verzekeringswezen terecht waar hij snel carriĆØre maakte en directeur werd van een divisie. Vlak voor de oorlog werd hij gemobiliseerd en vocht hij met zijn bataljon in de buurt van Den Haag in de meidagen van 1940. Hij ging in het verzet, werd verraden en bracht drie jaar door in gevangenschap, eerst in Nederland, later in het Nacht und Nebelkamp Natzweiler en weer later in Dachau.

Prins Bernard

Na de bevrijding nam hij zijn carriĆØre weer op, met veel succes, Boellaard werd een vermogend man. Withuis beschrijft zijn vriendschap met Prins Bernard en zijn blijvende betrokkenheid bij het herdenken van de oorlog. Ook komt de mens Boellaard uitgebreid aan bod. Boellaard was een man uit Ć©Ć©n stuk laat Withuis zien: onverschrokken, keek vaak de dood in de ogen, weigerde op te geven, weigerde te buigen voor de naziā€™s. Als officier sprak hij zijn mannen moed in toen ze onder Duits vuur lagen in de meidagen in 1940 en in de Duitse strafkampen sprak hij zijn medegevangenen moed in toen ze werden gemarteld en mishandeld. Op een dag weigerde hij een medegevangene te slaan toen hem dat werd bevolen. Boellaard kwam er mee weg. Ook de Duitsers hadden ontzag voor hem. Boellaard koos altijd de goede kant, kwam op voor de zwaksten in het strafkamp en probeerde na de oorlog waar hij kon vanuit zijn goede maatschappelijke positie als directeur bij een verzekeringsmaatschappij zijn collega oud-verzetsstrijders te ondersteunen. Zelfs de communisten met wie deze conservatieve liberaal op politiek vlak niets op had. Boellaard was een man die Koningin en Vaderland trouw bleef, een mannetjes maker die snel kon denken en handelen en die bijvoorbeeld toen Dachau werd bevrijd zo snel mogelijk een missie organiseerde om alle Nederlandse gevangenen, zijn makkers, daar weg te halen. Nederlanders in andere kampen werden veel later pas gerepatrieerd.

Deze man die in alles een oorlogsheld is blijft in de biografie van Withuis een koude kikker. Bijna nergens krijg je warme gevoelens voor hem, nergens denk je: ā€œdie had ik wel willen kennen, had ik bevriend mee willen zijn.ā€ Ik kreeg bij het lezen van de biografie eerder een hekel aan deze man, in het boek wordt hij neergezet als zelfbewust, koud en arrogant. Hoe kan dit? Waarom heeft Withuis Boellaard niet meer tot leven weten te wekken? Zeker omdat ze haar vak als geen ander verstaat, is dit een raadsel. Withuis was als socioloog verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en heeft meerdere bejubelde studies geschreven over zowel de Tweede Wereldoorlog als de Koude Oorlog.

Bazarow

Old boys network

Zou het kunnen zijn dat het milieu waar Boellaard in opgroeide en met graagte in vertoefde Withuis, die ooit voor het Communistische De Waarheid schreef en docent vrouwenstudies was, niet aansprak? Krijg je als biograaf met roots in de linkse jaren zestig affiniteit met een bevoorrechte generaalszoon, de corpsbal die trouwde met de dochter van een barones en hield van een leven te midden van de gegoede families? Boellaard, suggereert Withuis, stond zeer waarschijnlijk op de denkbeeldige lijst van vakbondsman Jan Mertens; van meest invloedrijke mannen in de jaren zestig. Hij had naast zijn directeursfunctie een groot aantal bestuursfuncties (altijd als voorzitter) en commissariaten. Hij was onmiskenbaar onderdeel van het ā€˜old boys network’ dat bepaalde hoe het er in Nederland er aan toeging. Een andere reden voor het gebrek aan sympathie van Withuis voor haar studieobject zou de neerbuigende kijk van Boellaard op vrouwen kunnen zijn. Voor hem hadden vrouwen vooral een dienende rol, voor mannen zoals hij.

Een derde reden zou het haast bovenmenselijke karakter van Boellaard kunnen zijn: onbuigzaam en volhardend in elke situatie. Zijn lijfspreuk ā€˜Weest mannelijk, zijt sterkā€™ siert als titel het boek. In de lange perioden in de gevangenis en in Natzweiler vermande hij zich keer op keer. ā€œGedraag jeā€, schreef hij dan in zijn dagboek en dat lukte. Waar anderen doorsloegen en kameraden verraadden of voor een stukje brood principes opzij schoven, bleef Boellaard het goede doen. Is het deze onverzettelijkheid wat Withuis irriteert?

Maar misschien is er nog een vierde reden waarom de biografie over Boellaard niet echt tot leven komt. Misschien is er gewoon sprake van een gebrek aan waardering voor het type man dat Boellaard was. Aan het slot van de biografie concludeert Withuis: ā€œPim Boellaard was een man van een zeldzaam formaat en zeldzame allure. De eeuw van Pim Boellaard ligt in essentie samengebald sussen 1939 en 1949, en in het bijzonder in de drie jaar tussen mei 1942 en mei 1945 (de periode dat Boellaard gevangen zat/RD.) In de oorlogsjaren vond hij zijn glansrol. De veertig jaren daarvoor waren aanloop, de vijftig er opvolgend nasleep.ā€ Misschien is dit wel een verkeerde conclusie. Ik denk dat je een man als Boellaard moet snappen als man tussen mannen. De gelukkigste momenten in zijn leven waren niet die als succesvol zakenman, niet als echtgenoot, zelfs niet als vader, maar waren de momenten dat hij met de mannen onder elkaar was. Tijdens zijn diensttijd, tijdens het corpsleven, tijdens de oorlogshandelingen in mei 1940, in de strafkampen, tijdens de vele reĆ¼nies en ontmoetingen met zijn vrienden van het corps, van het leger, van Natzweiler na de oorlog. Boellaard was een man die in die omgeving functioneerde en glorieerde en echt op zijn plaats was. Shakespeare, ik heb er al vaker naar verwezen, noemde dit een ‘band of brothers’ en dichtte in zijn Henry V:

“From this day to the ending of the world,
But we in it shall be remember’d;
We few, we happy few, we band of brothers;
For he to-day that sheds his blood with me
Shall be my brother; be he ne’er so vile,
This day shall gentle his condition;”

Boellaard was een man van de oude stempel, dwars door rangen en standen kon hij mannen waarderen die met hem de strijd voor de goede zaak bevochten, dat was zijn wereld, een wereld van een man tussen mannen. (Trouwens, schrijft Withuis, Boellaard had op latere leeftijd ook steeds meer een zwak voor eigenzinnige sterke vrouwen die hem zo nu en dan tegenspraak gaven.) Withuis heeft gelijk dat een oorlog dit soort mannen een podium biedt om te zijn wie ze willen zijn, strijdmakkers tussen de strijdmakkers, mannen die kogels vangen voor hun maten, maar daar is niet altijd oorlog voor nodig. Deze mannen broederschappen bestaan ook buiten oorlogen. Als Withuis deze wereld van mannen tussen mannen meer ruimte had gegeven in haar boek en wat liefdevoller had beschreven, ondanks dat het een gedateerd masculien wereldbeeld is, dan was Pim Boellaard veel sympathieker uit dit boek tevoorschijn gekomen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles