Zondag, 26 juli, 2020

Geschreven door: Burckhardt, Jacob
Artikel door: Hulspas, Marcel

Wereldhistorische beschouwingen

Een wereldbeeld in beton

[Recensie] De Wereldhistorische Beschouwingen van Jakob Burckhardt geldt als een van de belangrijkste teksten van de negentiende-eeuwse geschiedwetenschap. Reikwijdte en inzicht zijn imposant – maar minstens zo fascinerend zijn de vooroordelen die hij voor latere generaties in beton heeft gegoten.

“De geleidelijke gewenning aan totale bevoogding [door de staat] is uiteindelijk dodelijk voor elk initiatief; van de staat wordt alles verwacht, waaruit dan bij de eerste de beste machtsverschuiving voortvloeit dat alles van hem geëist wordt en men de staat met van alles opzadelt. Een ontwikkeling waarbij de cultuur de staat zijn programma’s voorschrijft, de staat de verwezenlijking van de moraal toedicht, de staat tot algemene steun en toeverlaat wil uitroepen en de betekenis van het begrip staat daarmee ingrijpend verandert.”

Het lezen van Burckhardts Wereldhistorische beschouwingen (zijn colleges in Bazel, in de jaren 1870-1871) is als het luisteren naar een opera van Händel.

Het kabbelt rustig voort; soms erger je je aan de gemakzucht van de componist, maar nét op het moment dat je besluit iets anders te gaan luisteren, komt hij met een aria, een duet, waardoor je plots weer geboeid wordt. Burckhardt kabbelt voort. Hij structureert zijn visie op de geschiedenis langs drie thema’s (de staat, de religie, de cultuur), leidt ze in en behandelt daarna keurig alle zes interacties tussen deze drie aspecten – steeds keurig startend bij de oude Grieken, dan de Romeinen, de Middeleeuwen… tot aan de rand van de actualiteit. (Drie slothoofdstukken gaan over losse thema’s.) Toen was het zus, daarna was het zo… Zo’n schematische aanpak kan gemakkelijk gaan vervelen en dat doet het ook – maar dan ineens werpt de bundel van zijn intellect licht op een onderwerp, een vage toekomst, die lezers anno herkennen. Zoals bovenstaande passage, waarin we gemakkelijk onze moderne, allesdoordringende, bijna totalitaire welvaartstaat herkennen. Dan blijkt Jakob Burckhardt niet alleen een groot historicus met een indrukwekkende greep op de materie en een fenomenaal geheugen (hij droeg zijn colleges volledig uit het hoofd voor), maar ook zoiets als een visionair. En dat wilde Burckhardt nu juist niet zijn.

Wordt Vervolgd

De onvoorspelbare aard der geschiedenis

De toekomst laat zich niet voorspellen. In zijn ‘Inleiding’ maakt hij korte metten met de geschiedfilosofie van Hegel, die had beweerd dat, aangezien de werkelijkheid rationeel was, de loop der geschiedenis dat ook moest zijn en dus overeenkwam met de ontplooiing van de rationaliteit in de werkelijkheid. Zo leek het te zijn, zo kort na de Franse Revolutie.

Maar Burckhardt moest niets hebben van zo’n simpel optimisme. De Revolutie was dan ook al tachtig jaar verleden tijd. Net zo zette hij zich af tegen het lineaire denken van zijn voorganger in Bazel, Leopold von Ranke. In diens denken (dat ook weer geënt was op Hegel) draaide alles om de opkomst van de rationele staat. Juist dáárom plaatste hij naast de twee pijlers onder Ranke’s denken, de religie en de staat, een derde pijler: de cultuur. Dat was een kracht met een totaal ander karakter: creatief, veranderlijk, beweeglijk, onvoorspelbaar. Dát bepaalde de onvoorspelbare aard der geschiedenis.

Hij had een afkeer van “de religie van de vooruitgang”. Oftewel, “treinen hadden bestemmingen, de geschiedenis niet,” zoals vertaler Peter Claessens Burckhardts visie samenvat. Alle metafysica moest uit de geschiedwetenschap worden gebannen. De historicus kan, na uitgebreide studie, hooguit speculeren over de nabije toekomst. Wat daarna geschiedt, blijft fundamenteel ongrijpbaar. Het is een weinig aanlokkelijk perspectief dat in de jaren daarna niet alleen aangevallen werden door Spengler en zijn epigonen; praktisch alle geschiedkundig denken van na 1870 is een zich verhouden tot Burckhardt. En het is ook niet verwonderlijk dat Nietzsche, die Burckhardt zeer bewonderde en zeer genoot van zijn colleges, later in zijn leven toch de profeet uithing. Wie iets duidelijk wil maken, moet de nuchtere wetenschap negeren.

Bewondering voor Atheense cultuur en Renaissance

Nu was het afwijzen van ‘de vooruitgang’ anno 1870 al geen vreselijk originele gedachte meer. (Schopenhauer was hem voorgegaan; Burckhardt bewonderde de filosoof.) Maar door zijn zelfverzekerdheid, de intellectuele kracht van zijn betoog en de kolossale breedte van zijn denken was het met name Burckhardt die deze visie academisch gestalte gaf. Tegelijkertijd werden daarmee niet alleen de nuchtere feiten in beton heeft gegoten. Hij was een kind van zijn tijd. Zelfs een freischwebende intelligenz als Burckhardt kan nooit volledig loskomen van de idées reçu en de vooroordelen van zijn voorgangers. Kenmerkend voor de Romantiek en voor zijn denken is de onvoorwaardelijke bewondering voor de Griekse, vooral Atheense cultuur, en voor de Renaissance (vooral Florentijnse) beschaving. Dáár gebeurde het. Toén maakte het menselijk denken een reuzensprong voorwaarts. Alles daaromheen, alles daarvoor en daarna, laat zich beschrijven in termen van verstarring, voorbereiding, slappe verwerking, verval. Ook Burckhardt ontkwam dus niet aan het cliché van de opkomst en ondergang der beschavingen. En dat cyclische of ‘biologische’ denken duikt voortdurend weer op. Over de niet-westerse, ‘primitieve’ of ‘barbaarse’ volken wil hij het niet eens hebben. Als die toch ter sprake komen, volgt bijna onvermijdelijk een racistische uithaal. Voor Burckhardt (en hij is hier een braaf romanticus) is de Europese cultuur de enige cultuur, en de enige dynamische cultuur.

De Egyptische was ‘blijven steken’ en ‘totaal incapabel’ geworden. De Byzantijnse cultuur is er een van verval, en is hetzelfde overkomen. De islam is “een vreselijk rigide religie”. Het “starre monotheïsme” van de “jammerlijke Koran” staat “elke poging tot ontwikkeling in de weg” (p. 135). Net zo cyclisch-schematisch is zijn denken over zijn eigen tijd. De taal is inmiddels afgestompt, de poëzie is zwaar in verval en verdrongen door kranten en romannetjes; het theater is in verval (“amusement voor de luie en vermoeide mens”, p. 113) De Fransen zijn afschuwelijk (Lodewijk XIV was “meer een Mongools dan West-Europees monster”, p. 129). En de Amerikanen zijn ook een gedegenereerd volk: “talrijk zijn de Amerikaanse cultuurmensen die grotendeels van het historische hebben afgezien en van kunst en poëzie louter nog willen genieten als van een soort luxe.” Verder is oorlog nuttig; het laat een volk “zijn nationale kracht in volle omvang kennen”. Maar je kunt er niet klakkeloos van uitgaan dat daaruit een “verjonging” van het volk zal voortkomen, “vaak is de meest gerechtvaardigde verdediging volslagen zinloos geweest” (203). Zo zien we de grote intellectueel regelmatig op zijn smalst, elitair-conservatief. En het valt niet te ontkennen dat al deze clichés dankzij Burckhardt nog veel langer gemeengoed zijn gebleven – en dat een deel nog steeds te beluisteren is.

“Crisis inzake de staatsidee”

Minstens zo opvallend (vinden we nú) is zijn blinde vlek voor de gevolgen van de industriële revolutie die op dat moment toch écht wel druk doende was om het Europese continent te transformeren. Engeland introduceerde “het massale gebruik van steenkool en ijzer” (p. 169), schrijft Burckhardt, en hij schetst vervolgens in drie zinnen “de macht van het krediet” en het wereldwijde het kolonialisme. Hij heeft geen medelijden met het lot van dergelijke volken, als zegt hij wél op een gegeven moment dat je om barbaren te onderdrukken niet meer geweld moet inzetten dan noodzakelijk is. Het gaat Burckhardt alleen om de visie op de staat:

“Deze feiten kunnen de schijn wekken alsof de staat alleen nog maar de politie voor deze duizelingwekkende activiteit is en de functie heeft deze te beschermen. De industrie (…) wil alleen nog maar gedaan krijgen dat hij barrières wegneemt. Bovendien wil ze dat de staat een zo groot mogelijk douanegebied bestrijkt en daarbij zo machtig als maar mogelijk is. En aan de andere kant probeert de staat zo onafhankelijk als dat telkens maar mogelijk is zijn macht te handhaven als een erfenis die hij naar vermogen wil uitbreiden.”

De staatsorganen weigeren zich “van onderop” de wet te laten voorschrijven en daardoor ontstaat volgens hem “de grote crisis inzake de staatsidee waarin wij zijn beland.” Die crisis, daar kan de lezer in meegaan. Visie en bekrompenheid, inzicht en beperktheid – ze wisselen elkaar af. De beschouwingen geven zo een fascinerende inkijk in een van de meest klare koppen van de negentiende eeuw.

“Soms is Burckhardt een kind van zijn tijd”,  constateert Claessens in zijn nabeschouwing bij deze zo welkome vertaling. Maar zijn grondtoon blijft een tijdloos realisme. In Burckhards eigen woorden: “de enige lering die te trekken valt […] is dat we het aardse leven over het algemeen geen hogere waarde moeten toekennen dan het verdient.”

Eerder verschenen op Sargasso