Zondag, 30 augustus, 2020

Geschreven door: Geuss, Raymond
Artikel door: Anderberg, Niklas

Who Needs a World View

Het onconventionele denken van Raymond Geuss

[Recensie] De Belijdenissen van Augustinus wordt algemeen beschouwd als een van de eerste zelfbiografieën. Maar volgens zijn biograaf Peter Brown schreef Augustinus met zijn blik standvastig gericht op God en keerde zodoende zijn lezers de rug toe.*

Na de opmerking van Brown is het haast onmogelijk de implicaties te negeren: Augustinus biecht eerder zijn zonden op om de Heer mild te stemmen dan om met zijn lezers in dialoog te gaan. Zijn bekentenissen over jeugdige losbandigheid en het stelen van vruchten komen in een ander licht te staan. Een Tiepolo-achtige gloed dreigt de gewone sterveling te verblinden; rest ons om het hoofd achterover te buigen en de Elysische velden te aanschouwen waar cherubijnen, gevleugelde paarden en licht geklede vrouwen door het luchtruim zweven. De fantasie laat zijn teugels vieren tussen de roze- en lichtblauwe wolken waar alle associaties met het leven op aarde zijn vervlogen. Alleen de erotiek staat met beide benen op de grond.

Raymond Geuss gaat nog een stapje verder: Augustinus is geen aangenaam mens. Geuss is emeritus professor in filosofie op de universiteit van Cambridge en een meester in polemische essays die mij door de jaren heen, zo niet vervolgd dan wel begeleid hebben. Volgens hem was Augustinus een extreem zelfingenomen en wraakzuchtige misantroop die bovendien gespeend was van elke vorm van humor. Met zijn onverdraagzaamheid en ijver als ketterjager zou hij beschermheilige van de Inquisitie kunnen zijn.

Wat niet wegneemt dat Augustinus geniaal was. Weerzinwekkende en geniale personen zijn legio in de geschiedenis en kunnen, anders dan echte vrienden, niet op één hand geteld worden (Changing the Subject – Philosophy from Socrates to Adorno, 2017).

Sociologie Magazine

Nu keert Geuss terug met een nieuwe bundel die ook zijn meest persoonlijke is. Na de Hongaarse opstand in 1956 kwam hij als vluchteling naar Pennsylvania waar hij onderricht kreeg in een Hongaars-Katholieke school. Het was onbegrijpelijk voor deze nieuwkomers dat er meer dan twee of hooguit drie verschillende zeepjes in de winkels te koop waren. De zogenaamde keuzevrijheid werd met verbijstering en argwaan bekeken; het voelde meer als een verplichting om te kiezen tussen verschillende overbodige producten.

Zijn eerste leraar was de katholieke pater ‘BĂ©la’ die op de jonge student een onuitwisbare indruk maakte. Met zijn scherpe analytische vermogen had BĂ©la al snel door dat er in de wereld slechts twee spirituele bewegingen van betekenis waren: het Katholicisme en het Communisme. Een halfslachtige ideologie als het liberalisme had niets substantieels te bieden. De grote collectieve bewegingen hadden meer aantrekkingskracht en allure dan het evangelie van het nietige individu. De vraag is of Geuss nog steeds onder de indruk is van deze zienswijze.  

Zijn volgende mentor was de relatief onbekende filosoof Sidney Morgenbesser. Deze had grote invloed op de vorming van de pragmatische grondinstelling van Raymond Geuss. De westerse obsessie met het begrip ‘waarheid’ en het dwangmatige streven naar een coherente wereldbeschouwing zijn obstakels voor daadkrachtig handelen. De Waarheid met hoofdletter is een hersenschim en een retorisch verzinsel dat als dekmantel dient voor een slecht argument. Het is beter om concrete problemen te tackelen met iets wat ‘werkt’. Hij citeert Marx: als je bijna verdrinkt heeft het geen zin om een boek over zweminstructies te lezen.

De werkelijkheid is niet altijd zo pasklaar. In een polemisch essay chargeert Geuss dat de Verlichting op zijn stokpaard van Rede en Verstand verdwaald is in de jungle van de werkelijkheid. De Verlichting is volgens hem net zo bevooroordeeld en dogmatisch als de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten die ze wilde bestrijden. Met een behoorlijke dosis zelfgenoegzaamheid trekt de verlichtingsfilosoof ten strijde tegen denkbeeldige molenwieken.

Ik denk in alle bescheidenheid dat Geuss hier te ver gaat; geen van de grote verlichtingsfilosofen die ik kan bedenken laat de rol van de fantasie of intuĂŻtie buiten beschouwing. Ook kan ik niemand verzinnen die denkt dat de werkelijkheid – laat staan de gehele kosmos – volledig verklaard kan worden met het verstand. Wellicht denkt men aan baron d’Holbach maar of hij gerekend kan worden tot de ‘grote denkers’ is dubieus.

Geuss is allergisch tegen alle vormen van systeemdenken en wil het liefst filosoferen ‘zonder leuning’. Dat is bewonderenswaardig, maar toch denk ik dat hij generaliseert wanneer hij poneert dat de verlichtingsdenkers dachten ‘alle situaties, handelingen, geloofsopvattingen of instituties’ te kunnen beoordelen met behulp van de universele kracht van het verstand. Hij gaat nog verder met de beschuldiging dat de ‘dogmatische’ Verlichting pas in de 21ste eeuw zelfmoord gepleegd heeft, namelijk in Guantánamo Bay en Abu Ghraib. Geuss vraagt zich ernstig af of een ‘ethische’ variant van de Verlichting meer kans maakt om de komende milieurampen te overleven.

Raymond Geuss is constant in dialoog met zichzelf. Soms kan ik de rode draad verliezen maar hij heeft het vermogen om het thema in een latere passage weer op te pakken. Typisch voor Geuss is zijn kernachtige antwoord op de rubriek ‘Life is a Game’: “No, it isn´t.”

In dit hoofdstuk behandelt hij het verschil tussen Rafael en Breughel. Waar Rafael gebruik maakt van het recent door Brunelleschi bedachte centraal perspectief, plaatst Brueghel zijn personages ogenschijnlijk willekeurig op het canvas. Zij verbeelden ieder een Nederlands spreekwoord. In het schilderij Kinderspelen is het niet anders: iedereen is in zijn eigen bubbel bezig, schijnbaar zonder oog voor het grotere geheel.

Hier voelt Geuss zich in zijn element: in een wereld zonder verdwijnpunt en zonder een kristalheldere wereldbeschouwing. Het leven is geen spel. Er zijn geen regels en volgens Geuss gelden voor de meesten van ons de befaamde woorden van Thomas Hobbes; het leven is “nasty, brutish and short”.

Om niet te vervallen in schematisch denken brengt Geuss het begrip ‘historicisme’ in stelling. Het is niet mogelijk om huidige gebeurtenissen te extrapoleren van het verleden. Vroeger was radicaal anders dan nu. Een historiserende denkwijze legt ook nadruk op het toevallige karakter van het verloop van de geschiedenis. Het historicisme vervangt de roze bril van de Whig-geschiedenis waarin alles zich ontwikkelt in een stijgende lijn met een pessimistische blik gericht op contingentie. Alles had anders kunnen zijn; de geschiedenis laat zich niet aanlijnen.

Voor iemand die niet binnen een gesloten systeem denkt, kunnen gangbare begrippen als democratie, christendom of homoseksualiteit hun concrete betekenis verliezen. Natuurlijk is een ‘bisschop’ Gods temporaire plaatsvervanger op aarde. Maar het bonte gezelschap geestelijke ambtenaren is allesbehalve homogeen. Een ‘bisschop’ is een arbitraire constructie wiens ware betekenis in duister gehuld is.

De alledaagse stijl van Geuss – weliswaar doorspekt met citaten in het Grieks – is tamelijk ongewoon in filosofische kringen. Hij doet Hannah Arendt af als journalist en vergelijkt Aristoteles met de bioloog David Attenborough, met het verschil dat eerstgenoemde ‘een beetje’ theoretisch aangelegd was. Nero omschrijft hij in de vaart der volkeren als “that most marvellous of emperors”.

Maar schijn bedriegt; Geuss is allesbehalve een lichtzinnige populist. Hij heeft een gedegen kennis van de geschiedenis van de filosofie en neemt geen blad voor de mond in zijn kritiek op zowel klassieke als hedendaagse denkers. Achter het pokerface roert zich verraderlijk diep water.

Met zijn karakteristieke mix van scherpzinnigheid en pessimistische weemoed dringt hij door tot de kern van de filosofische probleemstellingen. Toch heeft hij niet veel op met theoretische filosofie. Filosofie ‘an sich’ is een luxeartikel voor kandidaten die gedrild zijn om te denken als Descartes, Kant of Frege. Met alle respect voor systeemdenkers; ze zijn niet geschikt om de weg te wijzen in de ongeordende en prozaĂŻsche alledaagse werkelijkheid. Het is beter om zich te concentreren op de bal, zoals de voetballende jongens op de kaft, dan om zich te verdiepen in de regels van het spel. Het is alleszins geoorloofd om het metafysische kaartenhuis onderuit te schoppen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

* In A Companion to Augustine (Wiley Blackwell 2015, blz. 98) schrijft Paula Fredriksen: “If we, modern readers, insist on seeing a single chief subject in Augustine´s resolutely theological masterpiece, that subject is not Augustine himself, but Augustine´s god”.