Zondag, 24 november, 2019

Geschreven door: Houterman, Aldo
Artikel door: Vorstenbosch, Jan

Wij zijn ons lichaam

Wat sport en beweging ons vertellen over menselijk gedrag

[Recensie] Het menselijk lichaam is misschien wel een van de oudste thema’s waar filosofisch over is nagedacht. Maar een groot deel van de geschiedenis is dit denken gevangengehouden door mythische en religieuze schema’s die vooral geënt waren op dat wat het lichaam leek te overstijgen: onzichtbare geesten, de ziel, God. Ook de filosofie, die zich van meet af aan niet met zulke kluitjes in het riet wilde laten sturen en rede en kritiek in het denken introduceerde, sloeg het lichaam lager aan dan de geest en verklaarde het vaak tot een soort omhulsel of zelfs gevangenis van de ziel. In de moderne tijd werd het er niet veel beter op: het wetenschappelijke wereldbeeld richtte weliswaar de blik op deze, en niet gene zijde van het bestaan, maar begreep en ontleedde het lichaam als een machine, met modellen die werkten met voor blote oog onzichtbare theoretische entiteiten zoals atomen, moleculen, DNA-strengen en genen. De moderne neurowetenschappelijke technieken en inzichten zorgde voor een nieuwe wending, dit keer binnen het lichaam naar wat boven en belangrijk is, naar het brein dat tot ‘bestuurder’, programmeur en commandopost voor de machine van armen, benen en organen werd uitgeroepen. Het lichaam, met uitzondering van het brein, kwam er andermaal zo’n beetje bij te hangen als de passieve, uitvoerende instantie. De vrije wil werd in een moeite door op de schroothoop van misverstanden gedeponeerd. 

Dick Swaab

Aldo Houterman docent filosofie aan de Universiteit van Amsterdam gaat in zijn boek Wij zijn ons lichaam in op deze geschiedenis. Hij doet dat op een originele, toegankelijke en letterlijk aanschouwelijke manier. Het boek bevat plaatjes waarop we mee kunnen kijken om zijn duidingen te volgen, vrij uitzonderlijk voor een filosofisch boek. Zijn intentie is echter vooral om iets recht te zetten. De titel van het boek verwijst naar de bestseller van neurowetenschapper Dick Swaab uit 2010 Wij zijn ons brein. Swaab stelt daarin het individu min of meer gelijk aan zijn brein. Toch is de expliciete discussie met Swaab beperkt tot enkele passages. De auteur die ook kunstmatige intelligentie heeft gestudeerd en goed op de hoogte is van de discussie in de neurowetenschappen komt daarin overigens wel met argumenten die ook Swaab zouden moeten aanspreken, zoals bevindingen uit evolutie, dierexperimenten en hersensscans. Maar Swaabs reductionisme wordt vooral bestreden door te laten zien dat het een heleboel negeert en verwaarloost aan het lichaam. Veel daarvan behoort tot onze dagelijkse ervaring in allerlei contexten. Houterman wil het lichaam, met alles erop en eraan, in het centrum plaatsen, de aandacht geven die het verdient, en de eigen dynamiek en betekenis ervan verhelderen. 

Het boek werkt deze ambitie in vier delen uit: Wat betekent het om te bewegen? Hoe verhoudt het lichaam zich tot de omgeving? Hoe verhoudt het lichaam zich tot andere lichamen? Hoe werken de zintuiglijke vermogens van het lichaam? Het eerste deel is het meest systematisch en concentreert zich op de ‘betekenis’ van en voor het lichaam wat we als kern van onze ervaring kunnen plaatsen tegenover de verklaringen van de wetenschappelijke theorie. De drie overige delen zijn minder opgezet als een betoog, maar bevatten meer essayistische hoofdstukken. Houterman opent daarin een rijkdom aan ‘vensters’ op het lichaam via beschouwingen over een gevarieerd geheel van verschijnselen, geschiedenissen en opvattingen over het lichaam. Hij doet dat aan de hand van relatief onbekende continentale denkers als de Franse filosofen Merleau-Ponty en Michel Serres en het Duitse enfant terrible van de filosofie Peter Sloterdijk.  

Bazarow

Voetballers  

Sport speelt een hoofdrol in het boek en Houterman steekt niet onder stoelen of banken dat hij een hartstochtelijk wielrenner is. Mooi evoceert hij hoe zijn wielertochten hem de ogen openen voor de schoonheid van de natuur, de luchten en het weer. Misschien is het zijn favoriete sport wielrennen met zijn vele disciplines, vaak individueel en zich afspelend in de ‘echte wereld’ van wegen en bossen, die maakt dat dit toch geen sportfilosofisch boek is geworden met analyses over excellentie en competitie en strijd. Voetballers bewegen immers anders, op een veld waar ze onvermijdelijk met andere lichamen samenwerken en tegen andere lichamen het gevecht moeten aangaan, zeker moderne topvoetballers in de hogedrukpan van de stadions. Ze hebben het te druk met de tegenstander om de omgeving in de gaten te houden. Sport dient voor Houterman vooral ook als voorraadkamer voor aansprekend uitgewerkte voorbeelden van menselijk bewegen en functioneren. Op pagina 144 citeert Houterman filosoof Marc van den Bossche: “sportfilosofie zou een bezinning moeten zijn op hoe wij ons lichamelijk in de wereld bevinden…” Misschien zou het dat óók moeten zijn, maar sport is natuurlijk maar een specifieke manier om die bezinning te voltrekken, naast tal van andere. In feite hebben we geen andere keus dan ons lichamelijk (en ruimtelijk) in de wereld te bevinden, en vormt het lijf altijd de leidraad, ook voor het denken, zoals Nietzsche al wist. 

Een voorbeeld van wat deze benadering van sportfilosofie oplevert, is Houtermans mooie beschrijving van een wielerpeloton in het hoofdstuk met de titel Een collectieve filosofie van het fietsen. Die begint met een verwijzing naar de wieleruitdrukking ‘eerst het bordje van de ander leegeten’, wat zoveel wil zeggen als de anderen het werk laten doen zodat jij kunt profiteren. Maar dit perspectief wordt al gauw ingewisseld voor het beschrijven van het peloton als collectief, als geheel, als een specifieke manier van samen-bewegen van een groep mensen, zoals we het op de vroege zondagochtend op de wegen kunnen waarnemen. De analyse deed me sterk denken aan wat Elias Canetti over de meute schreef in zijn boek Massa en Macht uit 1949. Canetti beschrijft hoe de meute bestaat uit een groep op actie gerichte mensen die ‘dicht tegen elkaar aandringen en in overgeleverde, ritmische bewegingen de schijn wekken van talrijkheid’. Die zondagse ‘pelotonnetjes’ zijn daar een goed voorbeeld van. Maar in wegwedstrijden wordt het gedrag van het peloton (inderdaad, zoals Houterman constateert, oorspronkelijk een legereenheid, dus een mede-lichamelijkheid die als eenheid opereert in een confrontatie met een vijand) voornamelijk door heel andere mechanismen bepaalt. Zo’n profpeloton lijkt enerzijds vaak op een jachtmeute, een van de vormen van meute die Canetti onderscheidt. Het gaat om een prooi, een weggesprongen renner of groep, die men alleen niet kan buitmaken en die prooi bepaalt het gedrag van de meute, onbelangrijke renners laat men gaan. Maar anderzijds is het profpeloton niet solidair en homogeen, zoals een groep ‘wielertoeristen’ op de openbare weg dat wel is, want het peloton is verdeeld in zijn jacht en de prooi heeft ook ‘soldaten’ en helpers in het peloton. Het interessante van sport, en daarin onderscheidt het zich van oorlog, is juist dat het een sociale praktijk is die de strijd op leven en dood in een oorlog aan banden heeft gelegd, en een geciviliseerde en kunstmatige vorm ervan heeft mogelijk gemaakt.

Dit hoofdstuk is niettemin een mooi voorbeeld hoe Houtermans boeken de lezer aan het denken zet. Dat is ook een van de grote verdiensten van de kaleodoscopische manier waarop hij enerzijds inzoomt op concrete verschijnselen en anderzijds uitzoomt naar bredere sociale en culturele verbanden waarbinnen sport en bewegen en de betekenis van het lichaam kunnen worden begrepen. Hij geeft geen kant en klare theoretische stellingen en argumenten maar roept het verschijnsel op en beschrijft het vervolgens van veel kanten, of hij schetst op toegankelijke wijze een opvatting van anderen. De lezer wordt daardoor verleid om de betekenis van die beschrijving of opvatting met zijn eigen interpretatie, ervaringen en kritiek aan te vullen. 

Descartes

Dat is geheel in de lijn van het brede publiek dat Houterman voor ogen staat. Maar ook voor filosofen en voor de niet-filosoof die meer verdieping wil, vormt het boek een aardige inleiding in de filosofie van het lichaam. Het geeft in de goede zin van het woord te denken over de vele betekenissen, opvattingen en beelden van het lichaam. Die ruimtes om zelf verder te denken laten zich goed illustreren aan de elementen die de titel in zich draagt. Die titel is enerzijds geslaagd als retorische voet tussen de deur, maar roept ook veel vragen op. 

Dat ‘wij’ staat tegenover Descartes’ ‘Ik denk, dus ik ben’, het is een keuze voor het meervoud, en daarmee voor een radicale en boude claim op universaliteit. Dit is wat ‘wij’ zijn: ons lichaam. Terwijl misschien juist in het lichaam de meeste aanknopingspunten zitten voor de singulariteit en onvervangbaarheid van het individu. Wie kan immers bijvoorbeeld mijn pijn overnemen, of mijn lichaam? En kan ‘ons lichaam’ als we het meervoud niet disjunctief opvatten, maar conjunctief, een gedeeld lichaam, niet ook een politiek gevaarlijke en historisch beladen metafoor worden die de vraag oproept van wie ons lichaam ‘is’ of wie er tot ‘ons lichaam’ behoort? 

Ook als we de singulariteit van elk lichaam erkennen, suggereert ‘wij zijn’ dat wij onszelf moeten identificeren met ons lichaam, of in ieder geval dat het lichaam het belangrijkste is aan ons. Maar het lichaam is niet alles en al wordt het niet steeds gestuurd door het cognitieve brein, er blijven nog veel andere dimensies, het bewustzijn, de wil, de emoties, de sensaties, de strevingen waarvan de betekenis en doorwerking zich over het gehele lichaam lijken te verspreiden en zonder welke we niet kunnen zijn wie we zijn. 

Chocola

Het lichaam kan zich als lichaam niet als een geheel en eenheid bij elkaar denken, terwijl we het zo wel ervaren. Dat vereist een verdere doordenking van de betekenis van het lichaam voor het 1e persoonsperspectief dat bij Merleau-Ponty zo prominent is, maar dat bij Houterman soms verdwijnt achter de onmiskenbare eigen dynamiek van het lichaam. Het is niet mijn brein dat het stukje chocola proeft dat ik laat smelten op mijn tong, in mijn brein valt zoiets helemaal niet te zien, maar het is ook niet mijn lichaam en zelfs niet mijn tong. Uiteindelijk ben ik het die het proeft en ervan geniet. Dat roept de vraag op of onze identiteit is gebaseerd op het lichaam of de psyche, of op nog een derde verbindend en onreduceerbaar concept als ‘persoon’. 

Wij zijn ons lichaam bevat ook weinig aandacht voor de dubbelheid waarin het individu staat ten aanzien van zijn lichaam dat zij/hij immers ook ‘heeft’ op een manier die heel anders is dan al het overige dat zij/hij heeft, omdat het individu zich er niet van kan losmaken. De persoon is met dat lichaam enerzijds onverbrekelijk en objectief verbonden of zelfs in een bepaalde zin identiek, maar het valt er niet mee samen. De persoon kan ten aanzien van zijn lichaam, zoals de filosoof Plessner het noemt, een ex-centrische positie innemen en er bewust een houding tegenover aannemen: het lichaam is dus tegelijk subject en object in tal van situaties, en zeker in de sport.  

Mijn moeder, normaliter niet zo van de grappen, bracht ooit in een huiselijke discussie een grap te berde toen het ging over de vraag van wie ik, als arbeidersjongen opgeklommen tot de universiteit, mijn intellectuele talent wel niet zou hebben. Volgens mijn moeder had ik de hersens van mijn vader, want “zij had haar eigen hersens nog”. Zonder het te weten gaf ze met die grap het juiste antwoord door ‘en passant’ enkele belangrijke filosofische onderscheidingen te gebruiken, zoals het verschil tussen type en token, tussen ‘hersens’ als deel van elk lichaam en mijn of jouw hersens, en vooral het verschil tussen hersens, of een lichaam hebben en hersens of een lichaam zijn. Dat er over de vraag van wie ik mijn lichaam had geen discussie was, is misschien een sleutel tot de bijzondere zijnsstatus van het lichaam, en een extra aansporing om dit interessante boek te lezen. 

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles