Zaterdag, 20 juni, 2020

Geschreven door: Bastien, Filip
Artikel door: Stoel, Jan

Winteruren

Interview met Filip Bastien

Over de auteur

Filip Bastien (Eeklo, 1962) studeerde af als informaticus in Leuven en is in het dagelijks leven systeembeheerder. Op achtenveertig jarige leeftijd begon zijn schrijverscarrière. Zijn debuut Winteruren verscheen in 2018 al in eigen beheer, maar is nu door uitgeverij Hamley Books in een nieuw jasje gestoken, met een aantal extra scènes en authentieke foto’s verwerkt in het binnenwerk. Momenteel is Filip bezig met een kinderboekenreeks, een thriller en een komische oorlogsroman.

Samenvatting

In Winteruren maken we kennis met Richard Van Waeyenberghe, zittend aan het ziekenhuisbed van zijn stervende vrouw Anna-Maria Hollebeke. In zijn handen heeft hij een de prentbriefkaart zijn jeugdliefde Josephine Baets. Hij heeft haar sinds 1958 niet meer gezien, niets meer van haar gehoord. Nu wil zij hem nog één keer zien. Waarom? Wat is er gebeurd? Welke rol speelt Anna-Maria? Is er een andere waarheid? Richard ontdekt die waarheid tijdens de winteruren van het leven van Anna-Maria. Winteruren voert de lezer langs de grote gebeurtenissen van de twintigste eeuw: beide wereldoorlogen, de Koude Oorlog, de wereldexpositie in Brussel en de val van de Berlijnse Muur. De deiningen die ze veroorzaken, rimpelen voort in Richards leven. Uiteindelijk komt het tot een ontroerende ontknoping. Het boek is ook een eerbetoon aan de grootvader van de auteur, die eveneens Richard Van Wayenberghe heet. Het boek kun je het best kwalificeren als een historische roman.

Scènes

[Interview] Winteruren stond op de shortlist van de Indie Award 2018, bij de publiekprijs en bij de juryprijs. The Indie Awards zijn in 2017 in het leven geroepen om het harde werken van Indie-auteurs (auteurs die niet aangesloten zijn bij een uitgeverij) te belonen en ze in het zonnetje te zetten. Je won uiteindelijk de prijs voor het meest memorabele hoofdpersonage (als eerste Vlaming). Wat zei de jury erover?

“De jury was vooral lovend over de natuurlijke manier waarop het personage werd neergezet: “Je kunt je probleemloos spiegelen met het personage, je volledig inleven in zijn gedachtegang. Hij reikt je de hand. Door zijn ogen beleef je het ganse avontuur. Je kunt samen huilen, samen lachen. Het is geen superheld; het zou je buurman kunnen zijn. Kortom: je beleeft zijn leven alsof je alles zelf hebt meegemaakt.”

Je hebt dus je debuut in eigen beheer uitgegeven. Wat heb je daar allemaal voor moeten doen? Heb je een redacteur gehad? Was er vanuit uitgeverijen geen belangstelling?

“Aanvankelijk heb ik een debutantencursus gevolgd bij Jolien Janzing. Een paar jaar later – mijn eerste draft was toen af – startte ik een opleiding voor gevorderden bij Creatief Schrijven. Ook was ik ooit lid van een schrijversgroep en nam ik deel aan schrijfvakanties in de Ardennen. Zonder opleiding of feedback kun je moeilijk een roman schrijven.

Toen ik mijn manuscript af had, liet ik nalezen door een tiental mensen. Dit neemt tijd, want je stuurt je manuscript niet naar iedereen tegelijk op. Pas als de naleesronde voorbij is, stap je naar één of meerdere professionele redacteurs. Bepaalde redacteurs spitsen zich toe op de grammatica, andere op meer inhoudelijke aspecten van het verhaal. Je hebt beide types nodig. Daarna stond ik voor de keuze: zelf uitgeven of naar een uitgever stappen? Als debuterend schrijver had men mij al vaak schrik aangejaagd voor uitgevers. Soms moet de schrijver een verhaal volledig omploegen, en dat omdat de redacteur een andere visie heeft. Een paar collega-schrijvers werden niet maanden, maar jaren aan het lijntje gehouden door de uitgeverij waar ze hun manuscript naar hadden toegezonden: vier maanden wachtten ze op een eerste antwoord, dan een vage brief met zaken die gewijzigd moesten worden, enkele maanden herschrijven, terug insturen, een half jaar geen antwoord om dan te horen dat ‘het niet past in het budget van het lopende jaar’ en of ze ‘volgend jaar nog eens contact willen opnemen’. Dat wilde ik niet. Je zou voor minder schrik krijgen. Ik wilde mijn artistieke vrijheid bewaren – niet vernederd worden.

Toch had ik mijn script – op aanraden van een vriend – naar het Davidsfonds gestuurd. ‘Drie maanden duurt het, voor je antwoord krijgt,’ hadden ze me geschreven. Na vier maanden nam ik terug contact op. ‘Het kan nog even duren,’ zei de vrouw aan de telefoon. ‘Laat maar,’ antwoordde ik, ‘ik geef het zelf wel uit.’ Mijn vertrouwen in de uitgeverijen was zoek.

Ik nam een voormalig redacteur van Prisma Uitgeverijen onder de arm voor de technische redactie en een Nederlandse redacteur voor de inhoudelijke aspecten. Uitdrukkingen die voor een Nederlander onbegrijpelijk zijn, knipte die Nederlanse redacteur ook weg.

Voor de cover kreeg ik de hulp van een vriend die goed weg kon met Indesign. En dan was het de kunst om een betrouwbare drukker te vinden. Met Grafistar heb ik geluk gehad. Vervolgens moest er reclame worden gemaakt voor de boekenvoorstelling, contact met de pers, reservatie van de zaal, enzovoort…”

Het boek is in februari 2020 opnieuw uitgegeven en aangevuld met nieuwe scènes. Waarom heb je dat gedaan?’

“Als ‘selfpub’ auteur word je niet au sérieux genomen. Begrijpelijk, want negentig procent van deze auteurs getroosten zich niet de moeite om een schrijversopleiding te volgen. Wie dat wel doet, stapt vaak naar een uitgeverij. Het is een minderheid die ook nog de investering doet om één of meerdere redacteurs in te schakelen.

Na het winnen van die Indie Award kreeg ik echter een dubbel gevoel. Eerst was ik blij voor de erkenning. Later volgde frustratie: zelfs met die prijs kwam ik niet in de krant en kwam ik niet aan de verkoopcijfers die een gewone schrijver met een goede uitgeverij kan halen. Zeshonderd stuks heb ik op mijn eentje kunnen verkopen. Mijn vrouw hielp me voor alle administratieve zaken (versturen van boeken, e-mails beantwoorden, etc). Ik vond dat mijn boek een tweede kans verdiende, een nieuwe start. Vandaar dat ik Hamley Books contacteerde. Sandra J. Paul was akkoord, op voorwaarde dat het boek iets extra had. Daarom heb ik een aantal scenes toegevoegd die het verhaal beter situeren in de tijd.”

De vormgeving van je boek is bijzonder. Een cover die je echt goed snapt als je het boek gelezen hebt en in het boek staan heel wat foto’s. Komen die foto’s uit je privé-fotoalbum? Het maakt het verhaal wel persoonlijker.

“Inderdaad. De cover werd ontworpen door Lauren Dawes – Sly Fox Cover Designs (Australië). Het moest iets met een klaproos te maken hebben, want de subtitel “Ver achter de klaproze horizon” zag mijn uitgever niet zitten. Laurens eerste voorstel nam ik meteen aan. Het binnenwerk is door C.P. Smith ontworpen (Oklahoma). De foto’s komen inderdaad uit mijn privé-album.”

Je roman is ook een eerbetoon aan je grootvader Richard Van Waeyenberghe. Je hebt hem niet gekend. Hij draagt dezelfde naam als je hoofdpersonage in Winteruren. In een nawoord schrijf je dat hij door zijn idealen de mensen rondom hem in de steek had gelaten. Wat was er gebeurd? En hoe heb je dat in de roman verwerkt? Wat heeft het voor de echte Richard betekend?

“Mijn grootvader haatte de Duitsers omwille van de wreedaardige arrogantie waarmee ze zomaar ons land binnenvielen, eerst in 1914, later weer in 1940. Door verzet te plegen, volgde hij zijn idealen, maar verraadde hij tegelijkertijd zijn plicht ten opzichte van zijn gezin. In deze roman woont Richard samen met zijn moeder. In realiteit was hij getrouwd en had hij vijf kinderen. Bovendien was mijn grootmoeder zwanger van een zesde. De aanslag mislukte en mijn grootvader werd opgepakt en naar de gevangenis in Gent gebracht. Na ondervraging belandde hij in La Coupole, Noord-Frankrijk, waar hij zware dwangarbeid verrichtte. De man kwam dubbel gebroken terug: fysiek, omdat hij een kiepkar tegen zijn rug had gekregen en voortaan kreupel door het leven zou gaan. En mentaal omdat hij vernederd was, zowel door de Duitsers als door zijn vrouw die zich zijn leven lang verraden zou voelen. De oorlogsperiode was een zwarte bladzijde in zijn bestaan. Hij zweeg erover in alle talen.

Oorlog kent niet enkel helden. Oorlog kent vooral veel slachtoffers, in alle kleuren en maten.”

Voor mij zijn er twee thema’s in het boek: de gevolgen die gebeurtenissen in de geschiedenis op individuen kunnen hebben. Ik kan me hier de link naar jouw grootvader meteen bij voorstellen. Maar je maakt van het individuele iets universeels. Volgens mij komt op dat moment het tweede thema om de hoek kijken: de man die niet kan kiezen tussen twee vrouwen en de vrouwen die dezelfde man begeren. Ook dan is de loop der geschiedenis belangrijk. Hoe ben je op dat tweede thema gekomen?

“Dat tweede thema is eerder een persoonlijke strijd. Het vergt een zeker inzicht in de mechanismes van liefde en verliefdheid om een keuze te kunnen maken tussen de liefde van je leven en de verliefdheid van je leven. Vaak laat ik ‘moeder’ aan het woord in het boek. Via haar verwoord ik de gedachten die bij een dergelijk conflict naar boven komen. Het zijn niet altijd correcte zaken die ze ons toewerpt, maar uit de mond van een oudere vrouw die alles al heeft meegemaakt, krijgen ze automatisch een zeker gewicht.”

De loop der geschiedenis heeft voor de twee vrouwelijke personages Anna-Maria en Josephine (Fientje) ook de nodige gevolgen gehad. Fientje komt niet zo goed weg terwijl ze eigenlijk niets verkeerd gedaan heeft en Anna-Maria komt blijkbaar overal goed mee weg. Wat wil je met die twee tegengestelde figuren vertellen? Oprechtheid loont niet altijd?

“Fientje is een geïdealiseerd figuur, het buurmeisje waarop je als kleine dreumes voor het eerst verliefd werd; ze kan niets verkeerds doen omdat ze een ideaal is: ze is een symbool voor verliefdheid. Anna-Maria is een volbloed vrouw die staat voor wat een echte relatie is: sterke karakters, kleine en grote discussies, maar ook passie en vechten voor elkaar. Ik weet waar je met je vraag naartoe wil, maar dan kaats ik de bal terug: Wat is oprecht? Verliefdheid of liefde? Wie is oprecht? De geïdealiseerde figuur van Fientje of de echte Anna-Maria? Misschien voer voor een debat.”

Er zit nogal wat geschiedenis in je boek. Het nodigt uit om dingen na te zoeken. Heb je veel research gedaan?

“Enorm. Wikipedia, oorlogsboeken, documentaires; zelfs de weerberichten heb ik van het internet geplukt. Het kader is zo correct mogelijk. Alle Breendonkscènes heb ik uit een boekje met getuigenissen over Breendonk gehaald, ook bijvoorbeeld de mislukte ondervraging en de ontsnapping. Bovendien heb ik Bert Cornelis (geschiedkundige, schrijver en voormalig journalist bij Het Laatste Nieuws) mijn boek laten nalezen.”

Heel veel is op feiten gebaseerd, maar het is ook een roman (dus fictie). De verwerpelijke ‘mensentuin’ op de Wereldexpo in Brussel in 1958, waar Congolese mensen als een soort dieren achter een bamboehek bekeken werden, wat er gebeurde in fort Breendonk, bijvoorbeeld. Je hebt niet alleen aandacht voor de grote geschiedenis maar ook voor de kleine: de kermis van Eeklo, brouwerij Feys in Roesbrugge en brouwerij Krüger met eigenaar Georges Euerard in Eeklo. Die lokale geschiedenis kleurt het verhaal mooi in. Maar je heb ook fictieve dingen ingebracht, bijvoorbeeld Fritz Krüze, een SS-er die commandant van Breendonk zou geweest zijn. Je had hem volgens mij gewoon nodig voor het verhaal om Anna-Maria weer terug bij Richard in Breendonk te krijgen.

“Natuurlijk is niet alles voor de volle 100% correct. Idealen zijn als de sterren: nimmer te bereiken, maar ze wijzen je de weg. Zo bijvoorbeeld gebruikte men voor de ballonvluchten in Eeklo gasballons en geen heteluchtballons. Dat ben ik pas later te weten gekomen. Maar heteluchtballons bestonden toen al, dus het verhaal boet niet in aan geloofwaardigheid. Een correct kader scheppen is een must als je een historische roman wil schrijven. De essentiële feiten die het boek sturen, moeten gewoon correct zijn.”

Er zit volgens mij ook een gelaagdheid in de taal die je gebruikt. In de jonge jaren van Richard gebruik je meer de taal van het Vlaamse platteland met woorden als stuten (boterhammen), potjesvlees, smout (een vetbrij die ranzig ruikt) en jutekakooie (schommel). Naarmate de personages ouder worden verandert hun taal. De taal groeit als het ware met hen mee. Ze komen steeds verder van hun oorsprong af te staan. Bewust gedaan?

“Zeker. Dit is een spiegel van mezelf. Toen ik zeventien was, sprak ik voor 90% dialect. Op mijn twintigste waren die verhoudingen totaal omgeslagen. Hoe ouder je wordt, hoe meer mensen van andere streken je leert kennen.”

De personages zijn met hun emoties en gevoelens zo levensecht weergegeven alsof het lijkt dat je er je eigen gevoelens, emoties weergeeft. Je schrijft zo vol betrokkenheid, zo van binnen uit. Hoe zit dat?

“Ik stel me bestaande figuren voor. Elke figuur die ik beschrijf, ken ik van binnen en van buiten. Hun mimiek als ze iets van me willen. Hoe ze in stresssituaties reageren. Wat hun doet lachen… En de ik-figuur, dat ben ikzelf.”

Je schrijft heel beeldend: ”Hij rent naar de muur om er vierklauwens over te klimmen”, “aldus lagen we te bakken als parmaham onder de veel te hete zon”, “de (lucht)ballon heeft zin om de kasseien uit de grond te rukken,” “hij geeuwt zijn tanden tot tegen zijn oogkassen”. Heb je dit soort beelden paraat, gehoord of past het in het proces van schaven aan de tekst.

“Dit zijn parate beelden. Hier en daar zit er wel een geijkte uitdrukking tussen, of iets dat ik heb opgevangen. Maar de meeste vondsten zijn – net als bovenstaande – origineel.”

Indrukwekkend is deze passage (geschreven aan het front in de Eerste Wereldoorlog): “En dan heb je soldaten die bloemen plukken op het slagveld, of beter gezegd: klaprozen. Vroeger kregen die mijn aandacht niet: waardeloze bloemen – te fragiel om te bewaren. Toch staan ze daar, trillend tussen het geweld. Bij elke windstoot, bij elke kogel die hen raakt, bij elke laars die hen vertrappelt, verspreiden ze hun zaad. Hoe meer we vechten, hoe meer er zijn. En ze fluisteren. (…) Als je na de oorlog naar deze velden komt en ik ben er niet meer, kuier dan tussen de klaprozen. Luister naar hun gefluister en denk aan mij. Laar me niet zomaar verzinken tussen de rimpels van de tijd.” Een eerbetoon aan je grootvader? Een waarschuwing aan ons allen in deze tijd waarin we in vrijheid leven, “ver achter de klaproze horizon”?

“Dank je. Dit fragment is inderdaad een eerbetoon aan de soldaten die jarenlang gevangen zaten tussen muren van slijk, met hun voeten in brak water waarin enkel de ratten zich goed kunnen voelen. Een rustig dutje zat er niet in voor deze mannen. Elk moment kon de hel losbarsten in de vorm van een gifwolk of een bombardement. Zij gaven hun leven voor hun medemensen en kregen daar weinig waardering voor. Zouden wij het nog doen? Zouden wij kunnen wat zij presteerden?

De klaproos is het symbool geworden van de Eerste Wereldoorlog. De klaproos tierde immers welig op het brakke niemandsland tussen beide kampen. Elk zaadje dat toen werd gezaaid, heeft nu misschien een nakomeling in jouw tuin. Alles wat toen gebeurde, heeft gevolgen tot nu. De dood van Richards vader in de Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat Richard zich aansloot bij het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Daardoor kwam hij Fientje terug tegen en dit had dan weer andere gevolgen. Alles beïnvloedt alles. We zijn rimpels in een oceaan van gevoelens en emoties.”

Staan er nieuwe publicaties op stapel?

“Ik heb meer dan één project op stapel. Ik noem er twee. Het eerste project heet “Zonevreemd”. Het gaat over de bouwproblematiek in België. Het verhaal begint met een minister die op het water drijft – zelfmoord of moord? Moord, zo blijkt. En de moorden blijven elkaar opvolgen. Ooit heb ik een illegaal en zonevreemd huis gekocht, zonder het te weten. Met dit boek wil ik de Belgische toestanden aankaarten. In flash-backs wordt de ware toedracht verteld van het bedrog, van de houding van de politiek en het gerecht, met dossiernummers en bewijzen. Het is een aanklacht tegen onrecht.

En nog een historische roman: “De keizerin” – over Margareta Van Oostenrijk die door haar drie huwelijken regeerde over het grootste rijk het van toenmalige Europa. Officieel was ze de voogdes van de toekomstige Keizer Karel, maar eigenlijk was ze een der machtigste vrouwen ooit. Vandaar dat ik haar “De keizerin” noem. Via brieven aan haar neef Karel vertel ik haar leven. Ze resideerde vanuit haar geliefde Mechelen. Pas na haar dood werd ze bijgezet in Bourg-en-Bresse, naast het graf van haar tweede man, Filibert II van Savoye. Geruchten gaan dat ze toch in Mechelen zou liggen. Momenteel doe ik onderzoek.

Er zijn nog ideeën. Ik heb een kinderboekenreeks geschreven (Ronald de reiger) waarvoor mijn vrouw de illustraties tekent. Ik heb ook een jongvolwassenenboek in de vingers (De Laatste Zeppelin). Vervelen doe ik me dus niet.”


Eerder verschenen op Hebban en in Bazarow Magazine