Zondag, 20 juli, 2008

Geschreven door: Goedegebuure, Jaap
Artikel door: Winter, Karlijn de

Wit licht

Een lichtpuntje in een beneveld bestaan

Iemand die met iedere verdiende euro allereerst naar de slijterij snelt, hoeft in het dagelijks bestaan op weinig achting te rekenen. Zo iemand is ook Rob de Keizer, die leeft op een schamel dieet van boterhammen met pindakaas en whisky en het dak boven zijn hoofd enkel en alleen te danken heeft aan zijn ‘weldoener’ (een oud klasgenoot) die hem voor niets in een klein zeventiende-eeuws pandje laat wonen. Met zijn van de alcohol trillende handen slaagt hij er nauwelijks nog in de sleutel in het slot van zijn verwaarloosde winkeltje te steken.

De verloederde dronkaard als personage verwordt gemakkelijk tot een negatief stereotype, een oppervlakkig beeld van een stinkende man met een smerige baard vol klitten, om wie we met een zo groot mogelijke boog heen proberen te lopen. Dat gebeurt echter geenszins in Wit licht, de debuutroman van Harry Oltheten, waarin de hoofdpersoon een veel beter lot beschoren is. Oltheten opent de deuren naar het innerlijk, naar de idealen, dromen en herinneringen aan verloren, betere tijden van Rob de Keizer en geeft zijn bestaan een esthetische glans.

Dat wordt ook gerechtvaardigd door het karakter van deze man, die au fond een zeer ontwikkelde, belezen geest is. Al jaren runt hij een antiquariaat, Hambledon, gespecialiseerd in reisboeken. Oorspronkelijk was het een chique bedoening, had hij er ‘behagen ik geschept om alles decadent netjes voor elkaar te hebben’ [sic], maar nu staan de boeken rommelig door elkaar, en beginnen dikke lagen grijsbruin stof hun tol te eisen. Rob bemant zijn winkel nog wel, maar ontvangt slechts sporadisch klanten, en brengt zijn dagen dan ook voor het grootste deel in afzondering door, veelal luisterend naar cricketwedstrijden op de radio of naar wat oude elpees. Hoewel hij minder actief bezig is met zijn liefhebberijen dan vroeger – hij bezoekt geen wedstrijden meer, speurt niet meer naar waardevolle titels voor zijn antiquarische collectie – bepalen ze toch voor een belangrijk deel zijn leefwereld. Dat wordt onderstreept door de talloze verwijzingen naar cricketspelers, artiesten en schrijvers, die een uitgebreide kennis tentoonspreiden en zo Wit licht zijn inspirerende eruditie verlenen. Bij een highbrow-figuur als De Keizer is past ook geen balorige dronkenmanstaal, en daarom vinden we in deze roman vooral fraai gestileerde zinnen:

‘in de winkelruiten zag ik toch niet de man die ik wilde zijn. De verende tred die ik me had toegedicht bleek in werkelijkheid een schokkerig pasje en ik liep niet frank en vrij door de wereld maar met de opgetrokken schouders van een angsthaas.’

Bazarow

Het besef dat deze geletterde Rob de Keizer allang geen elegante gentleman meer is, dringt met een zekere regelmaat tot hem door. Iedere keer weer is het een vernederende ervaring om te merken dat hij zwalkt op zijn benen, dat hij een kop heeft ‘met starre ogen en een tic’, dat hij ‘zo’n sukkel’ is die voor een loket onhandig en nerveus met kleingeld staat te rommelen. De bittere schaamte voor zijn eigen voorkomen, en de constante strijd tussen drankzucht en eerbehoud keren in de roman geregeld op een pijnlijk voelbare manier terug. Wanneer Rob bijvoorbeeld vanwege zijn eigen motorische onmacht aan de verkoper moet vragen of hij de fles J&B voor hem wil opendraaien, of wanneer hij bij een onbedwingbare behoefte aan whisky, voor openingstijd van de slijterij, uit pure wanhoop een bierblikje uit een vuilnisbak vist waarin het ogenschijnlijk achtergebleven restje smaakt naar urine, wil je zelfs als lezer uit gêne wel door de grond zakken.

Waar voor Rob nog enige hoop lijkt te gloren is de liefde. Het zijn vrouwen op wie zijn dromen en idealen zijn gericht en die zijn dierbaarste herinneringen bevolken. Uit zijn woorden spreekt passie: ‘En alles aan haar was licht, vederlicht. Ze was van het allerpuurste witgoud. Zij schroeide mijn huid, verteerde mijn botten. Mijn bloed werd ijs.’ In Wit licht passeren verschillende liefdesgeschiedenissen de revue. Vaak zijn die vertederend, een enkele keer iets te vluchtig uitgewerkt om een blijvende indruk achter te laten.

Ook in het heden lijken zijn kansen bij de vrouwen echter nog niet verkeken. Naar hen toe presenteert Rob zich uit alle macht als een ridder, als een reddende engel. Het is vreemd hoe gewillig sommige van deze vrouwen – onder wie een onbekende vrouw in het ziekenhuis over wie hij besloten heeft zich te ontfermen – op de avances van deze afstotelijke man ingaan, maar wie weet gebeurt dat enkel in zijn verbeelding en verklaart dat hun bereidwilligheid. Dankzij hen als werkelijke dan wel imaginaire houvast, in combinatie met Olthetens elegante proza herwint de verschoppeling Rob de Keizer toch iets aan waardigheid.