Dinsdag, 17 december, 2019

Geschreven door: Clarke, Ben
Hubble, Nick
Artikel door: D’hoker, Elke

Working-Class Writing. Theory and Practice

De arbeider bestaat niet (meer)

In de nasleep van de economische crisis van 2008 heeft de politiek de arbeider herontdekt, zo stellen Ben Clarke en Nick Hubble in hun inleiding op de artikelenbundel Working-Class Writing. Theory and Practice. Vooral rechtse politici – UK Independence Party in het Verenigd Koninkrijk, Trump in de Verenigde Staten en Front National in Frankrijk – appelleren graag aan deze ‘achtergebleven’ arbeidersklasse. Ze zou het slachtoffer zijn van de-industrialisering en globalisering, maar evengoed van de veranderende genderrollen. Ze zou zich bedreigd voelen door immigratie en de multiculturele samenleving en verwaarloosd zijn door centrum-linkse partijen ten voordele van modieuzere minderheidsgroepen. Het beeld dat zo wordt geschetst van de ‘gewone’ werkende man, de ‘vergeten’ blanke arbeider, doet echter onrecht aan de veel complexere sociale realiteit en onderschat de diversiteit, in termen van geslacht, afkomst en ras, van ‘de’ arbeidersklasse. Hoog tijd dus om dat beeld bij te stellen, vinden Clarke en Hubble, en wel door hernieuwde aandacht voor literatuur van en over de arbeidersklasse.’Immers, ook de literatuurwetenschap en culturele studies (in het Verenigd Koninkrijk van oorsprong sterk gericht op de populaire cultuur van de arbeidersklasse) hebben sinds de jaren 1970 de analyse van klasse laten varen voor onderzoek naar andere sociale structuren zoals gender, ras, en seksualiteit. Working-Class Writing pleit dus voor een hernieuwde kritische doorlichting van klasse, en van de arbeidersliteratuur in het bijzonder.

Deze nieuwe working-class studies, zo betogen de redacteurs, moet vooral kritisch zijn: (1) ze moet oog hebben voor de heterogeniteit en agency van de arbeidersklasse, (2) ze dient te streven naar een intersectionele aanpak die het begrip van klasse samendenkt met dat van ras, geslacht, en herkomst, en (3) ze mag klasse niet als een vaststaande of essentialistische categorie zien, maar wel als een variabel product van iemands economische en culturele positie in een complex maatschappelijk systeem.

In dertien hoofdstukken geven literatuurwetenschappers evenzoveel voorbeelden van deze nieuwe working-class studies aan de hand van analyses van Britse literaire teksten die de arbeidersklasse representeren en/of door auteurs uit die klasse geschreven zijn. De hoofdstukken zijn opgedeeld in twee delen, ‘theory’ en ‘practice’, maar, zoals de redacteurs ook aangeven, ‘the difference is one of emphasis’. (6) De meeste hoofdstukken combineren een theoretisch perspectief met een specifieke literaire casus, waardoor ze een bredere relevantie krijgen. Enkel Peter Clandfield beperkt zich in zijn hoofdstuk tot een nauwgezette analyse van een roman van Alan Warner die op zich interessant is, maar verder weinig bijdraagt tot het thema van de bundel als geheel.

Gezien de veelheid aan auteurs, invalshoeken en methodes in Working-Class Writing is het natuurlijk maar de vraag of de drie doelstellingen die de redacteurs vooropstellen inderdaad gerealiseerd worden. Met de heterogeniteit zit het alvast goed. De hoofdstukken bespreken een breed gamma aan working-class writing: van Ethel Carnie Holdsworths melodramatische Helen of the Four Gates (1917) tot Zadie Smiths NW (2012), van de Angry Young Men en de British Kitchen Sink Movement tot werk van Caribische, Joodse en Indiase auteurs, van modernisten als Woolf, Eliot en Joyce tot minder bekende tijdgenoten als Jack Hilton, James Hanley, James Barke en Simon Blumenfeld. Er is ook oog voor regionale verschillen, met hoofdstukken over Schotland, Wales, Londen en Noord-Engeland. En hoewel het merendeel van de hoofdstukken over fictioneel proza gaat, worden ook enkele dramateksten en essays besproken. Verschillende bijdragen gaan bovendien op zoek naar de agency van de arbeidersklasse. Zo analyseert Clarke de manier waarop auteurs van de arbeidersklasse gebruikmaakten van modernistische technieken om het heersende discours onderuit te halen. In ‘The Impact of Domestic Space on Post-War Class Consciousness’ toont Simon Lee hoe Shelagh Delaney in haar toneelstuk A Taste of Honey (1956) een alternatief zoekt voor de beperkte en beperkende ruimte van de arbeiderswoning.

Bazarow

Ook de intersectionele aanpak die Clarke en Hubble bepleiten vinden we terug in de literaire analyses in dit boek. De hoofdstukken over Britse auteurs met een migratieachtergrond koppelen heel nadrukkelijk klasse aan ras. Zo bespreekt Sabujkoli Bandopadhyay het ontstaan van een klassenbewustzijn bij de arbeidersklasse in Coolie (1936) van de Indische auteur Mulk Raj Anand. Ze gebruikt daarbij inzichten uit de postkoloniale theorie en roept op om de nieuwe working-class studies niet langer op een regionale of nationale, maar een transnationale leest te schoeien. Ook Matti Ron heeft oog voor de kruisverbanden tussen ras en klasse in de romans van Brits-Caribische auteurs als E.R. Braithwaite, Sam Selvon en George Lamming en hetzelfde geldt voor Jason Finch, die de sociale mobiliteit van Joodse auteurs uit East End Londen analyseert. Wat echter opvalt in deze bijdragen is dat hun intersectionele aanpak volledig genderblind is. Ze bepleiten de heterogeniteit van de arbeidersklasse in termen van ras, afkomst en religie, maar lijken zich helemaal niet bewust van hun eenzijdige selectie van mannelijke auteurs, van de patriarchale structuren in de romans, of van het feit dat hun auteurs niet de hele ervaring van de Caribische, Joodse of Indische arbeidersklasse verbeelden. Deze blinde vlek toont aan hoe moeilijk het is om tot een echt intersectionele analyse van identiteitsstructuren te komen, maar ook hoe een term als working-class writing nog sterk geassocieerd blijft met mannelijke auteurs.

Het kritisch reflecteren op het concept van de arbeidersklasse is nu precies de derde doelstelling van deze bundel. Verschillende auteurs slagen daar ook in. Zo wijst Jason Finch op de ambiguïteit van het concept working-class writer, aangezien een arbeider die een succesvol schrijver wordt onvermijdelijk aan zijn klasse ontsnapt, ook al blijft hij in zijn werk de stem van de arbeiders vertolken. Hetzelfde geldt overigens ook voor de working-class critic, stelt Cassandra Falke in haar erg persoonlijke essay ‘Meaning It: Everyday Hermeneutics and the Language of Class in Literary Scholarship’. Ze roept literatuurprofessoren afkomstig uit de arbeidersklasse op om dat aspect van hun identiteit meer in de verf te zetten en wijst op de meerwaarde van “a distinctive working-class hermeneutic”, gebaseerd op ernst, passie, lichamelijkheid en het alledaagse leven. (65)

Naast deze en andere genuanceerde analyses, is er echter ook een aantal hoofdstukken waarin een meer traditionele, essentialistische visie op de arbeidersklasse naar voren komt. Deze klasse wordt daarin gezien als één geheel en in een binaire oppositie tegenover de ‘elite’ gesteld. Zo vindt Jack Windle dat de arbeidersliteratuur stelselmatig verwaarloosd wordt in het literaire systeem en hij legt daarvoor de schuld bij “the enduring elitism and class bias of academic discourse”. (49) Hij hangt een erg nostalgisch beeld op van de kortstondige “golden age of working-class literature” in de jaren vijftig en zestig, toen schrijvers, arbeiders en critici (met name de academici van het Birmingham Centre for Contemporary Cultural Studies) een gezamenlijke missie hadden die hun zelfvertrouwen en identiteit verschafte. (42) Zoals Hubble en Phil O’Brien in hun bijdragen terecht opmerken, gaat die nostalgie voor een verloren gegane “common style of proletarian life” (270) echter voorbij aan het feit dat dit een erg mannelijke en patriarchale cultuur was, gebaseerd op een “myth of masculine power” (241) die vrouwen tot tweederangsburgers maakte: “the old solidarity was a masculine solidarity which did not speak for half of the working-class population.” (271)

Een ander problematisch gebruik van veralgemeningen en binaire opposities vinden we in de bijdrage van Luke Seaber. Hij vergelijkt de representatie van stemmen uit de arbeidersklasse door Eliot en Joyce met het motief van de king in disguise, waarbij een personage uit de hogere klasse zich vermomt als iemand uit de lagere klasse. Hij oordeelt dat Joyce en Eliot niet echt geïnteresseerd zijn in de ervaringen van de arbeider, maar deze personages slechts misbruiken voor hun eigen doeleinden. Volgens Seaber bevestigt dit nog maar eens ‘the deep conservativism’ van de zogenaamd innovatieve modernistische auteurs. (92) Ook Ben Clarke appelleert in zijn hoofdstuk aan die oude tweedeling tussen het experiment van de modernisten en het realisme van de geëngageerde arbeider-auteurs van de jaren dertig. Hij wil die tegenstelling onderuithalen door te wijzen op experimentele technieken in het werk van die laatste, maar creëert daarbij een nieuwe tweedeling: tussen het geëngageerde experiment van deze working-class writers en het steriele, conservatieve experiment van de modernisten. Bovendien onderschrijft hij opnieuw de problematische hiërarchie tussen experiment en realisme.

Gelukkig wordt het zogenaamd conservatieve elitarisme van de modernisten overtuigend tegengesproken door de bijdrage van Natasha Periyan over Woolf. Ze maakt een gedetailleerde tekststudie van eerdere versies van Woolfs voorwoord bij Life as We Have Known It (1931), een collectie getuigenissen van vrouwen uit de arbeidersklasse. Periyan toont aan hoe Woolf tevergeefs probeerde haar oprechte bewondering voor deze teksten als getuigenis te verzoenen met haar gebrek aan waardering voor hun literaire kwaliteiten, om dan in het uiteindelijke voorwoord deze tegenstelling te thematiseren en ook haar eigen esthetische normen in vraag te stellen. Woolfs essay verwerft zo een gelaagdheid die een aantal hoofdstukken in Working-Class Writing missen.

Kortom, deze erg interessante en gevarieerde artikelenbundel had nog aan kracht kunnen winnen wanneer de auteurs elkaars artikelen aandachtiger hadden gelezen. Dat had kunnen leiden tot een meer doorgedreven intersectionele benadering, die niet vervalt in binaire opposities of misleidende veralgemeningen. Bovendien hadden de auteurs ook kunnen leren van elkaars referentielijst. Zo is het ontbreken van Nicola Wilsons boek Home in British Working-Class Fiction (2015) in Lee’s hoofdstuk over domestic space onbegrijpelijk, zeker aangezien haar boek wel in andere hoofdstukken geciteerd wordt. Ook de oproep van Jack Windle in het derde hoofdstuk om een nieuwe literaire theorie te ontwikkelen, “one that might – in the same vein as postcolonial and feminist theory – recover and revive working-class literature”, klinkt vreemd in deze bundel. (41) Verschillende auteurs combineren aandacht voor klasse immers al met inzichten over geslacht, kolonialisme en ras, om tot een nieuwe working-class studies te komen die zich niet naar analogie van, maar in dialoog met feminisme en postkolonialisme verder ontwikkelt. Alleen zo kan een beeld van de arbeidersklasse ontstaan dat genuanceerder en complexer is dan de nostalgische mythe van ‘de’ vergeten blanke, mannelijke arbeider die rechtse politici – en sommige critici – maar al te graag promoten.

Eerder verschenen in Vooys