Woensdag, 28 april, 2021

Geschreven door: Weyns, Francis
Artikel door: Verplancke, Marnix

XVI, De zinderende 16e eeuw

“De Vlaamse braindrain veel bijgedragen heeft aan de Nederlandse Gouden Eeuw”

Interview] “Nee, wij zijn geen kinderen van de Verlichting,” zegt Francis Weyns vol overtuiging, “wij zijn kinderen van de zestiende eeuw, emotionele wezens met een laagje rationeel vernis er overheen. In onbezorgde tijden kunnen we de schijn van de rede hoog houden, maar geef ons een oorlog of een pandemie en je ziet dezelfde mechanieken spelen als vijf eeuwen geleden. QAnon en de antivaxers zouden zo uit de zestiende eeuw vol xenofobie en heksenvervolging kunnen komen. Zij putten uit dezelfde reservoirs.”

Maar dit is niet de enige gelijkenis tussen toen en nu, leren we uit het boek dat Weyns schreef, XVI, De zinderende 16e eeuw. We namen toen immers definitief afscheid van de Middeleeuwen en gingen op weg naar de moderne tijd. De zestiende eeuw was de eeuw van de kolonisering en de globalisering, van de Reformatie en de Contrareformatie en van de opkomst van de burger, die een plek afdwong tussen de adel en het volk in, fenomenen die ook vandaag nog steeds een grote rol spelen. En de zestiende eeuw was ook een eeuw vol oorlogen. Weyns laat zijn boek beginnen in 1477, met de dood van Karel de Stoute op het slagveld van Nancy, en eindigen in 1585, met de val van Antwerpen en de splitsing van de Nederlanden in een zuidelijk katholiek en een noordelijk protestants deel. Het is het verhaal van Filips de Schone, Karel V en Filips II, mannen die de halve wereld onder hun hoede hadden.

“Oorlogen inderdaad,” baalt Weyns een beetje, “tot vervelens toe, maar je moet erachter durven kijken, waarom ze gevoerd werden en wat men ermee voor ogen had. Je had een aantal blokken in Europa. Je had de Habsburgers die hun rijk via allerhande huwelijksallianties steeds groter maakten. Er was Frankrijk dat zich langs alle kanten ingesloten zag worden door die Habsburgers. En in het Middellandse Zeegebied lagen een hele resem stadsstaten die bij wijze van spreken sneller van alliantie dan van onderbroek wisselden. Iedereen, ook de Ottomanen, wist dat je de wereld beheerste wanneer je de baas was over de Middellandse Zee, want dan had je de handelsroutes naar het Verre Oosten onder controle. Bovendien was Zuid-ItaliĆ« de graanschuur van Europa. Wanneer je Napels bezat, leed je nooit meer honger, wat een garantie was voor politieke stabiliteit.”

Veertig procent van de Europese bevolking woonde in het geografisch versnipperde rijk van Karel V. Was dat in feite wel te besturen?

Kookboeken Nieuws

Weyns: “Nee, en dat besefte Karel ook. Een van de redenen waarom hij zo vroeg is gestorven en waarom hij troonsafstand deed op zijn 55e is volgens mij de grootte van dat rijk. Die man zat er gewoon door. Hij was toen al veertig jaar aan de macht. Er was altijd wel ergens hommeles. Stond zijn uit meer dan 300 vorstendommen bestaande Duitse rijk niet in vuur en vlam door de Reformatie, dan begonnen de Spanjaarden wel te morren dat hij te weinig in het land was en geen Spaans sprak. En dan was er natuurlijk ook nog Zuid-Amerika, de geldmotor die het Habsburgse rijk van het faillissement moest redden. Op het einde van zijn leven huilde Karel voortdurend. Hij sloot zich op, was alleen nog maar met zijn klokken bezig en leed aan boulimie. De Habsburgers hadden een goddelijke missie en zagen zichzelf als wereldlijke plaatsvervangers van god, maar ze hadden geen gemakkelijk leven.”

De Pruisische generaal en militaire theoreticus Carl von Clausewitz zei ooit dat politiek oorlog is met vredelievende middelen. Voor de Habsburgers was het huwelijk een dergelijke politiek, zo lijkt het wel. Vrouwen waren onophoudelijk pasmunt voor politieke deals. Of waren ze ook nog iets meer?

Weyns: “Een vrouw was sowieso minderwaardig in de zestiende eeuw. Zij was een verleidster die mannen naar de ondergang dreef. Maar er waren ook regionale verschillen. In de Nederlanden hadden vrouwen een relatief goede positie. Ze konden onroerend goed kopen en namen deel aan het economisch leven. Op politiek vlak stonden ze echter buitenspel. Dat was enkel voor mannen van de hoge adel weggelegd. Voor Karel V was een vrouw diplomatiek materiaal. De reden waarom Margaretha van Oostenrijk landvoogdes van de Nederlanden konden worden is omdat er geen alternatief voor hen was. Niet-familieleden kwamen voor Karel niet in aanmerking, en mannen waren er niet voor handen. Heel happig om hen macht te geven was hij trouwens niet. Daarna werd Margaretha van Parma landvoogdes, de stiefzus van Filips II, maar ook zij had niet veel in de politieke pap te brokken. Margaretha van Oostenrijk had heel wat diplomatie ervaring, maar dan nog waren het haar vader Maximiliaan en Karel die beslisten wat er op het einde van de rit gebeurde. Karel zag zijn vrouw vooral als een broedmachine, en daarmee stond hij zeker niet alleen in die tijd. Vrouwen dienden ervoor te zorgen dat er erfgenamen waren die later de zaak konden overnemen. En dat moesten er genoeg zijn aangezien de kindersterfte zo hoog was. Dat was trouwens ook de reden waarom machthebbers zoveel bastaardkinderen hadden, want ook die konden eventueel ingezet worden. Dergelijke huwelijksallianties waren trouwen altijd een gok, want je kreeg er een enorme inteelt in de Europese vorstenhuizen door. Veel kinderenĀ  waren gehandicapt of leefden niet lang. Je wist dus niet of er nakomelingen zouden zijn, of die wel mannelijk zouden zijn en of die in staat zouden zijn om te regeren. Veel koningen waren daardoor niet van de slimste, om het voorzichtig te stellen. Ook Keizer Karel trouwens niet, die met zijn vooruitstekende kin ook nog eens extra lelijk was. Die koningen waren maar zo slim als hun entourage, en Karel beschikte over een heel kundig entourage, waar hij ook nog eens naar luisterde. Hendrik VIII was bijvoorbeeld helemaal anders. Die liet zijn raadgevers vermoorden wanneer ze raad gaven die hem niet beviel.”

En vrouwen hadden ook geen kul?

Weyns: (lacht) “De kul was de beurs die vooraan in de mannenbroek gedragen werd met daarin het geslachtsorgaan. De rest van de broek spande goed aan, waardoor de grootte van de geslachtsdelen extra geprononceerd werd. Wie een grote kul had, had veel aanzien en wie een kleine hadā€¦, tja, die had een flauwe kul. Het was een zeer geseksualiseerde maatschappij. Vrouwen werden ingesnoerd en mochten bijna geen borsten hebben; als appels, zoals toen werd gezegd. Grote borsten kwamen pas in de mode in de tijd van Rubens. De waarde van een man werd afgemeten aan de grootte van zijn geslachtsorgaan. Je ziet dat ook op de schilderijen van Breugel. Daarom werd die kul mettertijd vergroot, met wol bijvoorbeeld. Mannen staken er hun eten in en maakten van hun kul een wandelende voorraadkast.”

Johanna van Castiliƫ, de moeder van Keizer Karel, is de geschiedenis ingegaan als Johanna de Waanzinnige, maar was zij wel echt waanzinnig, of werd zij zo genoemd zodat haar man haar opzij kon schuiven?

Weyns: “De moeder van Johanna was Isabella van CastiliĆ«, een van de weinige vrouwen die toen echt macht hadden. Toen Isabella stierf was Johanna erfgename. Haar man, Filips de Schone, wou absoluut de Spaanse troon bemachtigen, net zoals haar vader, Ferdinand II van Aragon. Die twee konden niet door eenzelfde deurgat, maar toch vonden zij elkaar wanneer het ging om Johanna haar koninkrijk te ontfutselen en haar in een klooster op te sluiten. Johanna van CastiliĆ« was een politieke gevangene.”

En hoe ging haar zoon, Keizer Karel, met haar om?

Weyns: “Meedogenloos. Hij was zo goed als zonder haar opgegroeid. Toen hij zeventien was bezocht hij haar voor het eerst in het klooster van Tordesillas waar ze opgesloten zat. Niet omdat hij haar echt wou zien, maar wel omdat hij tot koning van Spanje gekroond zou worden en zij over de nodige documenten beschikte. Hij beroofde haar toen van haar troon en veroordeelde haar voor de rest van haar leven tot eenzame opsluiting. En alsof dat nog niet genoeg was stal hij de 15 kilo goud en 25 kilo zilver die ze bezat om er de bruidsschat van zijn jongste zus mee te betalen. Karel V was een koekoeksjong. Hij gebruikte zijn familieleden waar en wanneer het hem uitkwam.”

In 1492 ontdekte Christoffel Columbus Amerika. Welke invloed had die ontdekking op de Europese samenleving?

Weyns: “De invloed was gigantisch, aangezien Zuid-Amerika garant stond voor een immer heen en weer varende zilvervloot die de Spaanse lege schatkist kon omtoveren in een volle. Toen Isabella van CastiliĆ« en Ferdinand van Aragon Columbus eind vijftiende eeuw van de nodige fondsen voorzagen om via het westen een vaarroute naar China te zoeken, hadden zij iets heel anders in gedachten. Zij waren de superkatholieken van hun tijd en zagen vooral mogelijkheden om het Christendom te verspreiden. Een bijkomend voordeel was dat ze hun Portugese rivalen een hak konden zetten en wie weet vond die Christoffel ook echt wel iets. Pas een jaar of tien na de ontdekking van Zuid-Amerika begon men te beseffen dat het continent een goudmijn was. Toen het zilver en goud toestroomden konden de Spanjaarden het zich veroorloven om steeds vaker ten oorlog te trekken. Alleen hadden die oorlogen de neiging om ook steeds duurder te worden, waardoor de afhankelijkheid van het edelmetaal uit de kolonies groter werd. De tonnages groeien exponentieel, tot er op een bepaald moment zo veel zilver Europa binnenstroomt dat het tot inflatie en ontwaarding van de munt leidde. Zilver werd steeds minder waard, waardoor de Spaanse Habsburgers recht op het faillissement afstevenden. Een van de redenen waarom Filips II in 1559 vrede sloot met de Franse koning Hendrik II was dat ze allebei beseften dat ze niet alleen elkaar maar ook zichzelf naar de verdoemenis aan het helpen waren.”

De zestiende eeuw was de eeuw van de beginnende globalisering, schrijft u. Er werd veel gereisd, ook binnen Europa trouwens, maar daardoor was het ook de eeuw van de pest. Er wordt geschat dat tussen de 25 en 50 miljoen Europeanen eraan stierven.

Weyns: “Antwerpen kende in de vijftiende en zestiende eeuw 52 pestuitbraken en het duurde tot 1669 voor de Nederlanden volledig pestvrij waren. Toen ik mijn boek aan het schrijven was, realiseerde ik me hoeveel gelijkenis er is tussen de gezondheidscrises van toen en die van vandaag. Johanna van CastiliĆ« reisde met haar vloot naar Vlissingen en nam de pokken mee. Margaretha van Oostenrijk ging de andere kant op en introduceerde de pest in Spanje. De kroning van Karel V tot keizer van het Roomse rijk, in Aken, moest een van de grootste feesten van de eeuw zijn, maar het diende maandenlang uitgesteld te worden omdat de pest er toen heerste. En de meeste genodigden zijn ook niet lang gebleven. Hoe de vork aan de steel zat wist men niet. Dat het rattenvlooien waren die de pest verspreidden was onbekend. Men dacht dat het slechte lucht was, maar dat je maar beter uit de buurt kon blijven van besmette plaatsen was duidelijk, net als het nut van quarantaines. Maar even erg als de pest was syfilis. Hele legers werden erdoor gedecimeerd.”

De zestiende eeuw was ook het tijdperk van de Reformatie. Wat was de invloed op politiek Europa?

Weyns: “De Reformatie veroorzaakte niet alleen een religieuze, maar ook een sociale en een politieke breuk met het verleden. De steun voor het protestantisme kwam bijvoorbeeld niet alleen van de lagere klasse, maar ook van de Duitse vorsten die zich gedwarsboomd zagen door de almacht van de Kerk. Kloosters moesten geen belastingen afdragen, maar ze brachten wel producten op de markt aan dumpingprijzen, waardoor ze de markt verstoorden. De kerk had zich helemaal mispakt aan Luther. Dat zal wel koelen zonder blazen, dacht ze aanvankelijk. Maar doordat Luther in de volkstaal schreef, bereikte hij een groot publiek. Daar kwam ook nog eens de boekdrukkunst bovenop, waardoor zijn ideeĆ«n op grote schaal verspreid raakten. De kerkelijke structuren werden opeens in vraag gesteld. Voorheen wist men ook wel dat priesters concubines hadden en bisschoppen natuurlijke kinderen, maar dat werd gedoogd. Dat veranderde. Er werd duchtig over gefantaseerd en gepubliceerd. De zestiende eeuw was ook de eeuw van de pamfletten. Het fake news vloog je om de oren.”

Zonder Reformatie waren de Spaanse Nederlanden niet uit elkaar gevallen in een noordelijk en een zuidelijk deel?

Weyns: “Enerzijds was er de modale man die zich liet leiden door het calvinisme, maar er was ook de adel die door de Spaanse hervormingen zijn macht in rook zag opgaan. Het bestuur werd geleidelijk aan gecentraliseerd. Keizer Karel, en na hem Filips II nog veel meer, begonnen met juristen te werken en niet langer met de lokale adel. Dat de Kerk ook op religieus vlak meer macht naar zich toetrok was een tweede streep door de rekening. Waar de adel voorheen een familielid tot aartsbisschop kon laten benoemen, waarna er geld uit het bisdom richting familiekas stroomde, gingen die lucratieve baantjes nu aan haar neus voorbij. Volk en adel hebben zich daarop verenigd tegen de Spanjaarden.”

Cruciaal voor die opstand was de val van Antwerpen in 1585. De Spanjaarden zegevierden en 40.000 van de 80.000 inwoners van de stad vertrokken, grotendeels naar het calvinistische noorden. Hoe werden die vluchtelingen daar ontvangen?

Weyns: “Er ontstond een heuse braindrain naar het noorden dat op dat moment nog heel provinciaal was. Amsterdam telde zoā€™n 30.000 inwoners en ook Rotterdam en Utrecht waren maar kleine steden. Antwerpen was toen een van de belangrijkste handelscentra van Europa. Aanvankelijk werden de vluchtelingen met open armen ontvangen omdat ze over kennis en geld beschikten. Maar er zaten ook armen tussen, die de armoede in de Nederlandse steden nog schrijnender maakten en die zag men een stuk minder graag komen. Bovendien vertoonden de Antwerpenaren – niet anders dan vandaag volgens sommigen – een zekere arrogantie. Ze voelden zich buitengesloten van het politieke leven in Amsterdam, en dat terwijl er in feite toch alleen maar bekrompen en gierige botteriken woonden, vonden ze. Omgekeerd zagen de Amsterdammers de Antwerpenaren als verwaande vlerken die zich sinjoren lieten noemen, zich kleedden als Spanjaarden en deden alsof ze de baas waren, terwijl ze natuurlijk wel vluchtelingen bleven. Lang ging het dus niet goed tussen die twee groepen en veel Brabanders en Antwerpenaren wilden na verloop van tijd dan ook graag terug naar huis. Maar dat neemt niet weg dat die Vlaamse braindrain veel bijgedragen heeft aan de Nederlandse Gouden Eeuw, naast de oprichting van de VOC natuurlijk, waardoor Amsterdam tegen het midden van de 17e eeuw een bevolking had van 175.000 inwoners.”

Nu mag u wel beweren dat de zestiende eeuw zo zinderend was, voor Vlaanderen was hij toch ook wel tragisch. We hadden het net over Antwerpen, maar wat met Gent? Op het einde van de vijftiende eeuw was het nog een van de grootste steden van Europa, maar na de passage van Karel V in 1540 en die van Farnese in 1584 restte er nog amper een provinciestad.

Weyns: “Gent was een rebelse stad. Als er ergens een opstand was, stond Gent mee in de voorhoede. De Gentenaars gijzelden Filips de Schone, weigerden de oorlogen van Karel V te betalen en zeiden tegen landvoogdes Maria van Hongarije dat als ze niet wat kalm was ze haar in een klooster zouden steken. Karel V kon niet anders dan de macht van Gent en zijn gilden breken, want als hij de stad liet wegkomen met zijn opstandig gedrag, zouden tientallen andere steden het voorbeeld volgen. En hetzelfde met Farnese nadat Gent in 1576 de calvinistische republiek had uitgeroepen. Dat kon hij gewoonweg niet pikken. Gent heeft zich net als Antwerpen nadien wel weer opgewerkt, de een met laken en de ander met diamant, maar het werd toch nooit meer als voorheen.”

Francis Weyns (Gent, 1965)
1992: Studeert af als historicus aan de Universiteit Gent.
2016: Stelt met Ben Van Alboom Belgium: The Vinyl Frontier samen, een overzicht van de meest legendarische platenhoezen en hun ontwerpers.
2019: Gaat in De schaduwjaren op zoek naar het collaboratieverleden van zijn beide grootvaders.
Werkt als cultural marketing manager bij Red Bull.

Eerder verschenen in Knack