Zaterdag, 25 augustus, 2012

Geschreven door: Boer, Herman Pieter De
Artikel door: Bordewijk, Johan

Zalig zijn de schelen

Een raar zootje

‘Hou jij ook van schele mensen?’ vroeg Herman Pieter de Boer aan Betty van Garrel in 1972. ‘Zo ja, dan wilde hij samen met mij een verhalenbundel schrijven volgens een associatief procedé,’ schrijft zij in de inleiding van Zalig zijn de schelen. Het is volstrekt onduidelijk wat het een met het ander te maken heeft en dat is gelijk typerend voor dit boek dat zij kort daarna het licht lieten zien. Het vergaarde een kleine maar trouwe schare fans die zeer te spreken zijn over de dit jaar verschenen heruitgave.

Het concept van het boek is opmerkelijk: het heeft een uniek format. De een schrijft een stukje, vervolgens schrijft de ander daarop aansluitend een stukje over wat de laatste dan ook maar te binnen schiet. Dat levert een associatieve brij op van sterke verhalen, causerietjes, wetenswaardigheden, anekdotes, losse opmerkingen en gedachten. Zoals de Boer in de inleiding schrijft:

‘Aan het resultaat kun je zien dat het menselijk brein een raar zootje is: tedere ernst blijkt vaak te inspireren tot de grofste banaliteiten; een moppige anekdote brengt de ander tot diepe melancholie.’

Dat het boek niet binnen een omschreven genre valt, betekent ook dat niet duidelijk is of het waargebeurd of fictie is. Eigenlijk is dat ook het aantrekkelijke van dit boek. Dat je bij een sterk verhaal denkt: ‘nee, dat geloof ik niet’. En even later, wanneer het boek weer een ernstige wending neemt: ‘of zou het toch…’. Het is spelen met grens van werkelijkheid en fantasie.

Boekenkrant

Vaak is te zien welke zin of opmerking in het ene stuk associatief tot het volgende stuk leidt. Een jaartal, een personage of een onderwerp. Maar soms is het gissen welke chicane de gedachten van de schrijver genomen hebben. Af en toe was er klaarblijkelijk geen associatie en kon de schrijver terugvallen op de regel ‘Wie niets te binnen schoot, mocht een soort troefkaart ter tafel brengen, een stukje over scheel of loens’. Dat is de navelstreng waar de ‘verhalen’ aan vast zitten, het voedt de schrijflust van de twee auteurs.

‘B: Vind jij twee naar binnen wijzend tepels een vorm van scheel zijn?
H: Ja, maar toch niet zo lekker als met de ogen.’

En hup daar gaat het boek verder met de voluptueuze modellen van Rubens, vervolgens een citaat van Jan Cremer over kousen met jarretels en dan komen Adriaan Morriën en Nescio langs. Merkwaardig, verwarrend? Inderdaad.

Daarin zit de kracht van dit boek. De volledig vrije en associatieve stroom van beelden en anekdotes. Deze zijn over het algemeen amusant en luchtig van toon, maar de humor is meer van type gniffel dan van het type schaterlach. Leuk om eens gelezen te hebben, maar er is niets dat beklijft. Neemt niet weg dat het een geslaagde poging is een van de vele, vele miljarden landkaarten van de menselijke fantasie in beeld te brengen. En onthoud: ‘Zalig zijn de schelen. Zij zullen God dubbelt zien.’