Zondag, 18 oktober, 2015

Geschreven door: Daem, Frederik-Willem
Artikel door: Gerven, Tim van

Zelfs de vogels vallen

De controle kwijt

Volgens menig criticus doodzonde nummer één voor de literair debutant: navelstaarderij. De Vlaming Frederik Willem Daem (1988) valt daar in ieder geval niet op te betrappen. In het eerste verhaal van zijn bundel Zelfs de vogels vallen bevinden we ons in een woonkamer in Los Angeles; in het laatste in een Spaans dorpje waar de stieren door de straten rennen. De verhalen daartussenin spelen zich ondermeer af in Parijs, New York, en zelfs op een internationaal ruimtestation. Daarbij duikt Daem in het hoofd van de meest uiteenlopende personages: een astronaut die langzaam gek wordt van isolatie, een wereldberoemde stuntman in de momenten voor zijn allerlaatste stunt, een televisiepredikant die zich even het centrum van de natie waant − het lijkt hem allemaal even gemakkelijk af te gaan.

Daem gooit de lezer verfrissend midden in zijn verhalen. Geen inleiding, meteen handeling. Je mag zelf uitzoeken wie de personages precies zijn en in welke situatie ze zich bevinden. Het draagt bij aan de unheimische sfeer die in het merendeel van de verhalen hangt. Zoals de lezer in het begin nooit helemaal greep heeft op het verhaal, zo hebben de personages − natuurlijk − weinig greep op hun toekomst, terwijl je als lezer aan alles voelt dat die toekomst niet veel goeds in petto heeft. Een dramatische ironie die beide kanten op werkt: de onzekerheid van de lezer en de onzekerheid van de personages versterken elkaar, en zo de dreiging die op de achtergrond telkens aanwezig is. Het is een andere verdienste van Daem dat hij die dreiging niet altijd tot een climax laat komen; dat unheimische blijft je daardoor ook nog na het dichtslaan van het boek achtervolgen.

Angst als bindende factor

Wat de personages in Zelfs de vogels vallen met elkaar verbindt, is angst. Meer specifiek: de angst om de controle te verliezen. De technologische vooruitgang, die de mens toenemende controle op de wereld rond hem heen lijkt te verschaffen, lijkt deze angst paradoxaal genoeg alleen maar te versterken.

Een voorbeeld. In het openingsverhaal kijkt een familie naar een live-achtervolging op tv. De spanning en sensatie komt wellicht dichterbij dan ze zouden willen, want die auto komt hun verdacht bekend voor. Is dat niet hun neef die door de politie steeds verder in het nauw wordt gedreven? Televisie-amusement is even niet meer zo vermakelijk, reality-tv kent plotseling iets te veel werkelijkheid. De hoofdpersoon denkt al kijkend het volgende:

Geschiedenis Magazine

‘Op de televisie wordt het konvooi politiewagens talrijker en als de helikopter terug uitzoomt dan lijkt het vogelperspectief even op Grand Theft Auto 2, met als enige verschil dat ik hier niemand te slim af kan zijn.’

Het leven is (helaas) geen videogame die je na een gemaakte fout weer opnieuw kunt opstarten. Zelfs wanneer je, als een SuperMario van vlees en bloed, een extra leven lijkt te hebben gekregen, is dat niet zaligmakend. In het titelverhaal overleeft ‘televangelist’ Teddy Bell op wonderbaarlijke wijze een aanslag op zijn leven − het is een kwestie van millimeters. Zijn populariteit groeit als gevolg van regionaal naar nationaal: een moderne Jezus teruggekeerd uit de dood. Maar betekent dit ook het einde van zijn angsten en onzekerheden en dat van de mensen die dichtbij hem staan, zijn vrouw voorop?

Daem schetst in dit verhaal een mooi contrast tussen Teddy die enerzijds wel weet hoe hij een heel stadion naar zijn pijpen kan laten dansen (wat weer zijn eigen angstaanjagende connotaties heeft), maar anderzijds geen idee heeft hoe hij tegemoet kan komen aan de seksuele verlangens van zijn vrouw. En dat is misschien wel de bron van al onze onzekerheden: naar wat er precies in de ander omgaat, kunnen we alleen maar raden.

De touwtjes in handen

De enige die in dit spel van angsten en onzekerheden de controle blijft behouden is de schrijver zelf. Zijn stijl is trefzeker, doorspekt van scherpe observaties (‘zelfs de zachtaardigsten onder ons stralen op dit uur van de nacht gevaar uit’) en ondanks de duistere ondertoon niet gespeend van humor (‘Ik zweer bij God dat ik je kapotmaak. Je gaat eraan! Ik de tornado en jij mijn tentenkamp.’). Maar zijn sterkste punt blijft toch de zonder uitzondering strakke compositie van zijn verhalen. Daarmee weet Daem zelfs het nuttigen van een Napoleon-snoepje tot een (letterlijk) adembenemend avontuur te maken.

Over controle gesproken: de eerste druk van Zelfs de vogels vallen had Daem volledig in eigen handen. In twaalf uur tijd voorzag hij alle duizend exemplaren hoogstpersoonlijk van titel, auteursnaam en oplagenummer. Je moet er dus wel wat voor over hebben, dat wel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *