Vrijdag, 13 maart, 2020

Geschreven door: Stefánsson, Jόn Kalman
Artikel door: Lierop, Tea van

Zomerlicht, en dan komt de nacht

Peilloze hoogten en diepten

[Recensie] Dit is zo’n boek waarin je je volledig geborgen voelt. Het is alsof je geen lezer bent, maar een medebewoner van een onherbergzaam IJslands dorp, waar iedereen elkaar kent en waarin het gevoel de ruimte heeft om te gisten. Slechts 400 mensen wonen er in dit dorp. Voor het sociale verband en de werkverschaffing waren er het abatoir, de zuivelfabriek, de Co-op en de breifabriek. Zo is dit boek, er is geen afstand.

Het verhaal van deze wonderlijke gemeenschap wordt verteld door ‘we’, dit zijn niet nader genoemde bewoners, maar zij kunnen het weten, zij leven hier. In de inleiding beloven ze te vertellen over “vreugde en eenzaamheid, bescheidenheid en nonsens, leven en droom-ach ja, dromen”.
 
Verspringen
 
In acht hoofdstukken wordt er iedere keer verteld over één of meerdere personen die alleen of met elkaar een bijzondere band hebben, krijgen of willen. Daarbij komen de andere bewoners min of meer zijdelings ook aan bod, maar de focus ligt op de hoofdrolspeler van dat moment. Stuk voor stuk raken de verhalen de kern van het bestaan, zoals gezegd gaat het onder andere over eenzaamheid. Na het failliet van de breifabriek kreeg Helga een gecreëerde baan, ze werd achter de telefoon gezet op een school:
 
“Zo simpel is het, desalniettemin is het niet zo eenvoudig. Sommige mensen bellen alleen maar op om te kletsen, zijn eenzaam, willen iemands ademhaling horen, anderen daarentegen moeten opeens alles kwijt, al het ondraaglijke, de hele ergernis en onrust die het kortademige heden in ons opwervelt. Solrun beweerde dat Helga’s werk de mensen van hun stress zou verlossen, bij anderen de knagende eenzaamheid zou verlichten. Over stress schreef ze in een brief: ‘… een fenomeen dat zich in ons ophoopt en dus noodzakelijkerwijs af en toe moet worden geventileerd.”
 
De personages worden geweldig beschreven. Hun, vaak imperfecte, uiterlijk maakt hen menselijk en contrasteert met de enkele bewoner die begerenswaardig rijk bedeeld is door moeder natuur; prachtige haren, weelderige vormen of een krachtig, gespierd lijf. Dat lijfelijke is beslist een rode draad in alle verhalen. Wederzijdse of juist niet wederzijdse aantrekkingskrachten spelen gedurende alle seizoenen een grote rol, niet dat er altijd zo open over wordt gedaan, maar het is er altijd. Net alsof de oerdriften daar in het hoge noorden behoren tot de cultuur.
 
Contrasten
 
Het hele boek staat vol contrasten, waarvan de allerbelangrijkste het leven tegenover de dood is en waartussen de scheidslijn heel dun is.
 
“Er wordt beweerd dat leven en dood hand in hand gaan, dat er enkel een dunne scheidingswand tussen zit en dat wij daarom soms schaduwen uit het dodenrijk zien. We hebben het over de dood en denken dan aan geesten en spoken, want ooit stond er op de plek waar vandaag de dag Het Warenhuis staat een boerderij waar zich bepaalde dingen afspeelden: een boer ging in het visseizoen naar Snæfellsnes, kwam ’s nachts terug en vond zijn vrouw in de armen van een onbekende man met donker haar, onwezenlijk knap.”
 
De tegenstelling in de titel is ontleend uit het laatste verhaal. Hij heeft iets heel moois, maar is ook bedreigend vanwege die dunne scheidslijn. Gesproken wordt er wel, maar veel vaker wordt er gezwegen, waardoor de spanning te snijden is. Je voelt en ziet de stugge figuren worstelen met hun gevoelens, de kop in de wind gooien of de zaak met de botte bijl forceren. Poëtisch en rauw taalgebruik wordt afgewisseld, soms gebeurt dit volstrekt onverwacht, ook dat levert spanning op. Eigenlijk leef je met elk personage mee, dader of slachtoffer, allemaal blijven het personages met hun eigen verleden, afwegingen en dromen.
 
Universum
 
Een apart plekje verdient de directeur van de breifabriek. Op een nacht droomde hij in het Latijn en sindsdien is niets meer hetzelfde in het dorp. Zijn naam werd De Astronoom, hij verkocht zijn hele hebben en houen om Latijn te leren in Reykjavik en vele exclusieve oude boeken te kopen over astronomie. Hijzelf veranderde ook, hij richtte zich meer tot de hemel dan tot de aarde.
 
“Zijn vastberaden blik was verdwenen, in plaats daarvan was iets gekomen waarvan we niet wisten hoe het te benoemen, misschien was het verstrooidheid, misschien dromerigheid en tegelijkertijd leek het alsof hij dwars door alles heen keek, door al het gedoe, het geleuter en de poeha die ons leven kenmerkt, dat we ons druk maken over overgewicht, over geld, rimpels, de politiek en een kapsel.”
 
Zijn kennis gebruikte hij om lezingen te geven in het gemeenschapscentrum en later kwam die kennis nog van pas toen er vragen gesteld werden over bijgeloof, want dat hoorde ook bij het leven van de dorpelingen. Het verleden heeft zijn sporen achtergelaten en wanneer je overgeleverd bent aan lange, donkere winters en er vinden onverklaarbare dingen plaats kun je zomaar bijgelovig worden. Maar een antwoord komt er niet, zeker niet van De Astronoom.
 
Vissen tellen
 
De man die zich afvraagt waarom hij noch de vissen noch zijn tranen kan tellen is de man die een vraagteken zet bij de reden van zijn bestaan. Gevlucht in cijfertjes leidt hij z’n leven. Hij is de meest eenzame figuur, stel je voor hoe het moet zijn wanneer je je zorgen maakt dat je de vissen niet kunt tellen. Dit is wel heel mooi verwoord, vooral in combinatie met de tranen en dat alles op het door zee omsloten IJsland. Maar juist deze man wordt gered uit totaal onverwachte hoek.
 
Adembenemend! Omdat het hele boek raakt aan de ziel, de lelijke en mooie kanten erkent en beschrijft en de mens één maakt met de natuur met al zijn driften.
Ongepolijst en puur, zo wil ik er wel meer lezen, machtig mooi!
 
 
Eerder verschenen op Met de neus in de boeken