Zondag, 21 februari, 2010

Geschreven door: Bruggencate, Catherine ten
Artikel door: Hopman, Bob

Zomertijd wintertijd

Modernistische feministische mijmeringen

Het had zeer goed een grote modernistische roman van de middelbare feministische vrouw kunnen zijn, dit debuut van een van Nederlands beste actrices,Catherine ten Bruggencate, waarin de tweeënvijftigjarige Julia Voorschot een piepkleine epische reis onderneemt en geconfronteerd wordt met alle facetten van haar vergane geluk, verdorde geest en wegkwijnende lijf. Het werd een heel klein boekje. Gevolg is een groot aantal onbeantwoorde vragen dat een uiterlijk krachtige maar van binnen twijfelende hoofdpersoon achterlaat, soms mooi onbeantwoord gelaten, soms onduidelijk, hinderlijk.

Hinderlijk is de opening van het boek, waarin een reebokje wordt doodgereden vlak voor Julia’s ogen, een scène die gedurende enkele pagina’s ongeloofwaardig grote indruk op de hoofdpersoon maakt, en vervolgens zo plotseling wordt vergeten door zowel Julia als haar verteller, dat het misschien beter helemaal weggelaten had kunnen worden. Hinderlijk zijn Julia’s seksuele dromerijen, haar associatie van stinkzwammen met stijve penissen – vooruit – of dat van de bek van een varkenssnuit, een ‘weke roze grot’, met baarmoederwanden en kinderen – ronduit achterlijk. Opmerkingen als ‘En die orgasmen van toen! Waar waren ze gebleven?’ doen vermoeden dat de doodgebloede Julia er ooit een meer dan fatsoenlijk seksleven op na heeft gehouden, maar de schaarsheid van de terugblikken op betere tijden doet geen recht aan het genre van ‘negatieve Bildungsroman’, dat Zomertijd wintertijd door de herhaalde mijmeringen over en verwijzingen naar verval, ouderdom en menopauze pretendeert te zijn.

Hinderlijk is ook Julia’s overdreven feminisme. Haar cynische, haast gedesillusioneerde houding is begrijpelijk zolang het haar carrière betreft, een carrière die ooit verwoest is door een angstige, in zijn macht bedreigde man die haar een onterecht en seksistisch geaard proces aan de broek deed. De vele gedachten aan deze gebeurtenis zijn even begrijpelijk, omdat het juist een feest van laffe oud-collega’s is waar Julia’s ‘kleine reis’ van het platteland naar Amsterdam voor wordt ondernomen. Maar het boek valt door de mand als geloofwaardig anti-seksistisch manifest als de hoofdpersoon een aanrijding in Amsterdam ziet gebeuren. Zij neemt het negenjarige (lichtgewonde) slachtoffertje in haar armen, en voelt zich weer in haar vrouwelijkheid gekrenkt ten opzichte van de automobilist.

‘Terwijl ik tussen al die mensen op mijn knieën bij dat kind zat flitste het door me heen dat iemand zou kunnen denken dat ik op mijn knieën voor die hufter zat. […] “ik dacht: als je de mensen en het kind wegdenkt dan lijkt het net of ik hem zit te pijpen.”’

Scènes

En laat de automobilist nu ook toevallig eens de man zijn die Julia’s loopbaan de vele jaren ervoor vernield had. Het scenario is te duidelijk opgezet om niet een intentie van anti-feminisme vanuit de auteur te vermoeden, terwijl de hoofdpersoon door haar krankzinnig overdreven gedachte bij het redden van een kind eerder parodiërend aandoet.

Er komt ten slotte een ommekeer in het boek, wanneer Julia zich eindelijk aangesproken voelt op ‘die morele superioriteit van jou’, en ze blijft volhouden: ‘ze was superieur, onuitstaanbaar superieur’. Dat doet ze stomdronken halverwege haar reis naar een feest waar ze niet eens wil zijn. Vanaf dat moment wordt de onbetrouwbaarheid van de Julia als vertellend personage echt duidelijk. Plots wordt de vraag of het voortdurende feminisme, de aanvankelijk ergerlijke woede en het slachtoffergevoel terecht zijn, er een waarvan het antwoord twee kanten op kan. Het uitblijven van eenduidigheid en het beroep op het beoordelingsvermogen van de lezer tillen de roman naar een meer literair niveau.

Problematisch aan deze ommekeer is dat die zo laat in het boek plaatsvindt. Een knappe eindscène rest de lezer nog, waarin zelfs de vraag of Julia’s reis voltooid zal worden enige spanning oplevert, maar het kwaad is al geschied, de overdreven aanrijdingsscène, de ‘weke grotten’ en overige ergerlijke beelden die Ten Bruggencate opeengestapeld heeft zijn al te talrijk om haar de roman nog echt te kunnen laten redden. Zomertijd wintertijd had inderdaad een modernistische, uitgebreidere roman moeten zijn, met meer aandacht voor Julia’s verleden, haar ouder worden en haar verbittering, maar vooral met een beter uitgebalanceerde en duidelijkere morele vraagstelling over haar antiseksisme tegenover haar slachtoffergevoel en arrogantie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *