Vrijdag, 22 februari, 2019

Geschreven door: Reugebrink, Marc
Artikel door: Voskamp, Nico

Zout

Diepe ellende

[Recensie] Hoe treurig een verhaal ook is, als het in bloemrijke taal ten tonele wordt gevoerd is het al snel een lust om te lezen. Qua treurnis laat Marc Reugebrink hier met succes zijn talent de vrije loop. Hij zet in halve pagina’s beslaande, verrukkelijk kronkelende, barokke zinnen van uit marmer gehouwen rococowoorden een situatie neer die sluipenderwijs van kwaad tot erger gaat.

Het gaat hier om de onstuitbare teloorgang van het rustiek in de velden gelegen dorpje Lende. Baron van Rüdersdorf Helmstadt voert hier het bewind; hij is niet alleen de ongeschreven bovenbaas van het dorpje maar ook de landdrost, “verantwoordelijk voor het bestuur van de regio, eigenaar van de landerijen en bossen tussen Lende en Liebtrecht ten oosten, Lende en Buichen ten westen, naar het noorden tot aan ’t Goer, zuidwaarts tot voorbij Wittewold en Brakeloo.”

Het is duidelijk dat er zware verantwoordelijkheden op de schouders van de baron liggen. Op een malicieuze dag krijgt hij te horen dat de dingen die de laatste tijd in het dorp fout gaan (ruzies, misgeboorten, ziekten, overmatige alcoholconsumptie en sterfgevallen onder de dorpelingen) waarschijnlijk veroorzaakt worden door het drinken van zwaar vervuild water uit de dorpse beek.

Ongeveer tegelijkertijd brengt de niet bijster snuggere André Met De Honden de alarmerende boodschap dat er onder het dorp niets anders dan de zee ligt (al is dat ingefluisterd door de pedagogisch onverantwoorde lessen van meester Harold), en het drinkwater dus verontreinigd is. Genoeg donderwolkeninformatie om de paniek te laten toeslaan. De Baron gaat fluks graven naar zuiver water. Helaas vindt hij niet anders dan met zout verontreinigd water, pekel. Al het water in de omgeving blijkt vervuild, met het zoute gif besmet, ondrinkbaar. In blinde paniek laat de Baron door zijn lijfeigenen overal in en rond Lende putten slaan. Hele diepe putten, op zoek naar helder water. Het mag niet baten: ze leiden allemaal slechts naar één ding: het vermaledijde zout.

Boekenkrant

De deprimerende gedachte dat nergens meer goed drinkwater meer is, leidt snel tot een algemeen verval van het goede dorp. Fysiek, maar ook moreel verval van de dorpelingen en met name barones Agnes Christina. Zij dwaalt naakt en ongewassen door het ooit zo fraaie landhuis, onbereikbaar voor haar man. Die heeft trouwens genoeg aan zijn geplaagde hoofd: de boortoren die hij heeft besteld om Ă©cht diepe gaten te boren wil maar niet arriveren.

Diepe misère dus, die Reugebrink luisterrijk over het volk uitstort. Het vechten daartegen wordt de baron uiteindelijk te veel. In zijn moment van diepste duisternis ligt hij op zijn rug in het koetshuis:

“Het gebinte van het koetshuis kraakte.
’Alles was verloren, maar alles ging door,’ dacht hij. Beneden piepten de veren van de koets waarin Arend zich omdraaide. Hij stond op, keek door een groezelig raampje in de nacht zonder iets te zien, ging weer op de rand van het bed zitten, stond opnieuw op en stootte zijn hoofd aan een balk. Even flitsten lichtpuntjes kriskras door de ruimte voor hem, als vuurvliegjes op een zomeravond. Hij duwde met zijn handen krachtig op zijn hoofd terwijl hij tot op zijn hurken zakte. Zo zat hij een tijdje, lichtjes naar voren en naar achteren wiegend, een onaanraakbare aan de oevers van de Ganges, dacht hij. Dat er een krokodil komt en mij verslindt.”

Voor de nieuwsgierigen: de boortoren arriveert toch nog in Lende, zij het via het spreekwoordelijk kronkelige pad. De beeldrijke beschrijvingen van de onverschrokken Franz Hartmut Deseniss (baas van de booronderneming) die als een legergeneraal met de in onderdelen verpakte boortoren op pad gaat naar een bedrieglijk eenvoudig klusje, zijn de leukste van het boek. Als je niet opziet tegen een beetje ellende.

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles