Vrijdag, 25 januari, 2019

Geschreven door: Reugebrink, Marc
Artikel door: Verplancke, Marnix

Zout

Alles gaat ten onder

De eerste zin

“Het was André Met De Honden die ons voor het eerst over de vondst van het zout vertelde.”

Recensie

In het fictieve Nederlandse dorpje Lende is op het einde van de negentiende eeuw alles peis en vree. Baron van Rüdersdorf Helmstadt zwaait er onder het goedkeurende oog van zijn eega Agnes Christina de verlichte plak terwijl het gewone volk vanuit De Burggraaf de wereld gadeslaat, zwijgend, instemmend en met een fikse jenever in de hand. Tot een buitenstaander zijn intrede doet en er de baron op wijst dat het water dat hij drinkt uit de Buschbeek komt en dat dit ook de beek is waarin fabrieken hun afvalwater lozen en boeren hun beerton spoelen. Tot hier en niet verder, besluit de baron verschrikt, waarna hij zijn knecht Arend beveelt een put te graven, op zoek naar vers, sprankelend fris water. Wat ze vinden is echter iets heel anders, brakke, muffe modder. De wat simpele André, immer gevolgd door de honden waarvan hij met klem ontkent dat ze van hem zijn, is ervan overtuigd dat het tijdperk der aardse wrake aangebroken is. Hij weet immers dat alle land op de zee drijft, en dat het zoute water ooit terug zal komen.

Geschiedenis Magazine

In Zout laat Marc Reugebrink alle teugels vieren en geeft hij zijn rijke fantasie de sporen. Het resultaat is een spittante ondergangsfabel die je van de ene verbazing in de andere stort. Met heel veel zin voor historisch detail en dilettantistische humor beschrijft hij hoe Lende door toedoen van de steeds maar doorgravende Arend verandert in een landschap vol putten en ondermijnde muren, waarin mensen bij gebrek aan water hun toevlucht nemen tot alcohol en de geruchten over kindermisbruik in de smidse, aangerande schapen en bendes vrouwen die ’s nachts mannen verkrachten welig tieren. Zout is een literaire Wunderkammer, een ode aan de excentriciteit en een magazijn vol tot de verbeelding sprekende zinswendingen. “De mist was als een hoepelrok van een vrouw die langzaam door haar knieën zakt,” schrijft Reugebrink, en samen met die mist daalt een algehele morele degeneratie over Lende waarvan barones Agnes Christina, naakt achteroverliggend op haar naar lichaamsvocht stikkende fauteuil en lurkend aan een fles citroenjenever, de mascotte wordt. Ze staart door het raam en brabbelt wat voor zich uit, in het besef dat André gelijk had.

3 vragen aan Marc Reugebrink

Waar komt deze bijzondere zoutgeschiedenis vandaan?

Reugebrink: “Ik voelde de behoefte om iets totaal fictioneels te schrijven deze keer. Iemand vertelde me dat er onder Turnhout olie zit en dat er ooit sprake van was om proefboringen te doen op het marktplein. Een boortoren op een marktplein! Wat een beeld. Ik was vertrokken. Ik verbond dit verhaal meteen met de geschiedenis van de zoutwinning in mijn geboortestreek, Twente. Daar liet eind negentiende eeuw een baron ten voordele van de bevolking een waterput boren waar tot ieders verbazing pekel uit oprees. Ik zag onmiddellijk een zoektocht naar de heilige graal: zuiver water. Ik heb er mijn fantasie op losgelaten, wat een heerlijk gevoel was.”

Vandaar ook de bijzonder beeldrijke stijl die je hanteert?

Reugebrink: “Ik heb een voorkeur voor de lange, goed gebouwde zin, of ook wel: goed ontsporende zin. Ik ontdekte vrij snel dat mijn verhaal ergens eind negentiende eeuw moest spelen. Alles is weliswaar fictie, maar ik wilde toch wel een beetje waarheidsgetrouw blijven: welke kleren droeg men, welk schoeisel. Dus ging ik op zoek, vond wonderbaarlijke kledingstukken en kon het niet nalaten om die vervolgens ook te gaan beschrijven. Gewoon omdat ik zoiets zelf graag zou willen lezen. Maar het is niet alleen maar beeldrijk. De dorpelingen in het boek zijn mensen van weinig woorden, die bijna zonder iets te zeggen toch heel veel vertellen. Of dan toch bedoelen. Dat geeft bij alle absurditeit in het boek aan wat er gebeurt toch ook een tragische dimensie. De dorpelingen zwijgen als de baron gat na gat graaft. Maar in dat zwijgen schuilt het besef dat ze dat ze door de strapatsen van de baron in het ongeluk worden gestort.”

Het boek lijkt een Spielerei, maar tezelfdertijd had ik ook het gevoel dat er meer achter zit. Is dat zo?

Reugebrink: “Ik heb het vaak over de verhouding tussen individu en samenleving. In de gemeenschap die ik hier schets zijn de dingen nu eenmaal zoals ze zijn. Vrouwen krijgen miskramen, kinderen sterven. De dominee gispt en dreigt. Zo hoort dat, ook al is het van buitenaf gezien niet juist, of onrechtvaardig. Juist als in het boek een buitenstaander zijn intrede doet en een simpele vraag stelt, is het met alle vanzelfsprekendheid gedaan. In die zin kun je het boek ook lezen als een commentaar op al diegenen die vandaag blijkbaar weer naar zo’n vanzelfsprekende, het-is-wat-het-is samenleving verlangen.”

Eerder verschenen in Knack