Vrijdag, 5 maart, 2021

Geschreven door: Zomeren, Koos van
Ommen, Erik van
Artikel door: Jager, Koen de

Alle vogels

Niet alleen over vogels, maar juist ook over hun leefgebied en het belang daarvan.

[Recensie] Elders op dit blog heb ik wel eens aangegeven dat ik van vogels houd en daarom moest Alle vogels van Koos van Zomeren beslist gelezen worden. Vogels zijn namelijk al veertig jaar hét specialisme van de auteur, die jarenlang zijn miniaturen in het NRC Handelsblad over vogels heeft geschreven, maar ook in tal van andere publicaties.

In dit boek zijn een groot aantal van die stukken gebundeld en speciaal voor dit boek heeft Erik van Ommen prachtige penseeltekeningen van allerlei vogels gemaakt.

Nu telt het boek bijna 870 pagina’s en is dat dan leuk, alleen maar over vogels? Ik zeg volmondig ja. Ik kan het merendeel van de besproken vogels zo’n beetje wel voor het netvlies halen, maar hun achtergronden zijn mij echt onbekend. Daar word je in korte tijd aardig over bijgespijkerd. Niet alleen over vogels, maar juist ook over hun leefgebied en het belang daarvan. Zo wordt het belang van de Waddenzee duidelijk aan de hand van een Yellow 20, een wulp:

“Deze vertrok half april van dit jaar, waarschijnlijk naar Finland. Half juni was hij terug en nam hij tot op de vierkante meter nauwkeurig hetzelfde territorium weer in beslag. Yellow 20 kent zijn modderhoekje zo goed dat hij twee dagen lang rond een paaltje snuffelde dat nieuw was. Anders dan voor mensen is voor vogels de Waddenzee dus geen gigantisch groot gebied, waar best wat af kan. Voor duizenden bonte strandlopers is de Waddenzee niet groter dan het wad ten zuiden van Paal Q op Schiermonnikoog. Erg klein eigenlijk.”

Hereditas Nexus

Voor mij best een eye-opener. Zo wist ik natuurlijk van trekvogels, je ziet de ganzen ieder jaar hun formaties vormen, maar ik had nooit zo stilgestaan bij die kleine vogels als fitissen, tjiftjafs en boerenzwaluwen, die ook duizenden kilometers maken per jaar. Zo trekt de boerenzwaluw helemaal naar Zuidelijk Afrika, gewoon, op eigen kracht. En wij maar klagen als het in Zuid-Frankrijk een beetje vast staat…

Dat is ook een beetje de toon die de auteur aanslaat. Een licht humorvolle toon in het merendeel van zijn beschouwingen en dat leest erg prettig;

“De bosuil, veruit de zwaarste van onze uilen, weegt ongeveer 550 gram, zoiets als een half pak suiker, maar in een bosuil zit aanzienlijk meer leven.”

Dat begint lekker, waarna een aantal stukjes volgen over uilen in ons land. Prachtig om te lezen;

“Plotseling schoot er een geruisloze schaduw over ons heen. Dat is een uil; een tijdelijke verdichting van het donker. Heel even stak het stompe profiel af tegen de hemel. Ik dacht dat hij te pletter zou slaan, maar hij verdween gewoon. Feilloos vond hij het gat in het uilenbord, een gat ter grootte van een werkmansvuist. Hij had de vaart van een fietser.”

De bijeengebracht stukken dateren uit de periode 1977-2014. Bij sommige oudere stukken vroeg ik mij wel af hoe actueel ze nog waren, zoals bij het stuk uit de jaren tachtig over de korhoenders. Van Zomeren schreef toen dat het vrij slecht ging met die vogels in Nederland maar dat het laatste terrein waar ze een gemeenschap vormen op de Sallandse Heuvelrug ligt. Er staat geen update bij over de huidige situatie dus dat heb ik even voor u opgezocht; die is nog steeds vrij belabberd.

Zo staat het boek bol van de wetenswaardigheden en wordt het nergens zwaar. Hij legt uit waarom een specht geen knallende koppijn krijgt, waarom de ene steltloper uit Canada naar Zuid-Amerika vliegt en zijn buurman naar de Waddenzee, je raakt thuis op Engelsmanplaat (de zandplaat tussen Ameland en Schiermonnikoog) en je weet waarom de bontgekleurde grauwe klauwier ‘grauw’ wordt genoemd. Kortom, ik ben erg enthousiast over dit boek en ik vind een medestander in Maarten ’t Hart. Tot slot een mooi stukje over duikende kuifeenden in het IJsselmeer, ook illustratief voor de schrijfstijl van de auteur;

“In het vrije veld zijn kuifeendjes vooral ’s nachts actief. Ze duiken naar driehoeksmosselen, zo nodig tot een meter of acht, liefst minder. Geringe diepte kost minder moeite én levert grotere mosselen op.
Ook dat duiken heeft Joep nauwlettend bekeken. Dat gaat pijlsnel naar beneden en dan is het keihard werken om beneden te blijven. De eendjes staan, eigenlijk in het pikkedonker, met de snavel rechtstandig op de bodem, worstelend met lijf en leden om die positie te handhaven. De gemiddelde duik duurt twintig seconden, vijfhonderd duiken per nacht, bijna drie uur zuivere duiktijd.
Vervolgens schieten ze als een losgelaten kurk omhoog. vlak onder de oppervlakte veranderen ze de stand van hun lichaam om af te remmen. Zo niet, heeft Joep berekend, dan zouden ze zestig centimeter boven het water uitploppen.
Stel je voor: het IJsselmeer bij volle maan en overal van die woest stuivende kuifeendjes.”

Eerder verschenen op Quis leget haec?