Zondag, 5 februari, 2017

Geschreven door: Cliteur, Paul
Artikel door: Heijster, Karl van

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders

Hebben we de ‘racisten’ niet nodig?

[Recensie] Op de dag dat de rechter zijn vonnis uitsprak in de zaak Wilders II, plofte Paul Cliteurs Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders, Juridische vervolging van religiekritiek en vreemdelingenvrees bij Splijtstof op de mat. De politicus werd vervolgd voor de vraag die hij op 19 maart 2014 voorlegde aan een groep aanhangers van zijn partij: “Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Marokkanen?” Daarmee maakte hij zich volgens de rechter schuldig aan groepsbelediging en het aanzetten tot discriminatie. Er werd hem geen straf opgelegd. Op de uitspraak volgden gemengde reacties. De ene kant vond de straf te mild, de andere kant was van mening dat hij überhaupt nooit vervolgd had mogen worden. Cliteur valt in het tweede kamp.

Zijn redenen daarvoor zijn principieel van aard, want, geeft hij aan het eind van zijn boek toe, erg nuttig was Wilders’ uitspraak niet. Maar zijn boek gaat niet over wat nuttig is, of beleefd, of aardig, of wat strategisch verstandig is. Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders gaat over het rechtsstatelijk systeem van Nederland. Volgens Cliteur wordt dit systeem ondermijnd door paniekreacties van de bestuurlijke en justitiële elites. Zij smoren elk redelijk debat over de inhoud van Wilders’ opmerkingen. In plaats van de feitelijke invulling van Wilders’ opmerking te bespreken (gaat zijn uitspraak over de Marokkanen in Nederland of ook daar buiten?; geldt het voor alle Marokkanen, of slechts een deel van hen?; hoe wil hij minder Marokkanen in Nederland gaan ‘regelen’, zoals hij dat noemde?; en waarom wil hij eigenlijk minder Marokkanen?) verleggen zij de aandacht naar de vraag: “Mag hij dat zeggen?”

Daarmee tornen ze aan de grondvesten van een vrije, democratische samenleving. Democratie is immers gebaseerd op de gedachte dat de waarheid niet op voorhand al vaststaat en alleen kan worden gevonden in een gemeenschappelijk zoekproces. Het innemen van scherpe standpunten – ook en misschien zelfs vooral standpunten waar men aanstoot aan neemt – over de inrichting van de samenleving wordt door sommige theoretici zelfs gezien als essentieel voor de democratische politiek. Door Wilders te vervolgen, wordt dat zoekproces voortijdig afgebroken. De waarheid rondom vragen over immigratie, in dit geval specifiek van Marokkanen, staat voor de vervolgers van Wilders blijkbaar al vast. De democratische weg waarlangs dit vraagstuk besproken hoort te worden, wordt via de rechtbank omzeild.

De manier waarop Cliteur de argumenten voor Wilders’ vervolging bespreekt, is polemisch en provocatief. Eén van de aanklachten tegen Wilders – waar hij uiteindelijk overigens van werd vrijgesproken – was dat hij zou aanzetten tot onverdraagzaamheid. De vraag werpt zich dus op wat onverdraagzaamheid is. Volgens Cliteur zijn de begrippen verdraag- en onverdraagzaamheid van toepassing op meningen (of iets wat daarop lijkt) waar men het niet mee eens is, maar die toch als meningen moeten worden gedoogd. Deze definitie heeft een intuïtieve aantrekkingskracht. Iemand die bezwaar maakt tegen moord en diefstal, kan geen onverdraagzaamheid worden verweten in dezelfde zin als iemand die bezwaar maakt tegen bepaalde meningen. Deze daden maken, in tegenstelling tot meningen, een inbreuk op de integriteit van personen of hun bezittingen. Zonder die ‘onverdraagzaamheid’ zou een samenleving niet vreedzaam kunnen functioneren. Het is precies om deze reden dat deze daden strafbaar gesteld zijn, en het uiten van een mening – idealiter althans – niet.

Wordt Vervolgd

De ironie wil dat als Cliteurs redenering wordt gevolgd Wilders’ vervolgers zich – in naam van verdraagzaamheid nota bene – bij uitstek onverdraagzaam gedragen. Zij wensen zijn mening – de mening dat het wenselijk is dat er minder Marokkanen in Nederland zijn – immers uit het publieke debat te censureren door hem voor het gerecht te dagen. Daarmee maken ze zich volgens Cliteur schuldig aan bedrog – van anderen, maar vooral ook van zichzelf. Nota bene: middels deze redenering geeft Cliteur uiteraard geen verdediging van Wilders’ mening. Het is een verdediging van het idee dat hij die mening zou moeten mogen uitdragen, ook als deze tegen elke gangbare norm in gaat, oftewel: een verdediging van het idee van verdraagzaamheid. Wilders moet, volgens Cliteur, mogen zeggen wat hij wil zeggen.

Het is dit standpunt dat de rode draad vormt van Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders. Cliteur probeert de redenen die Wilders’ tegenstanders aandragen om hem te vervolgen, één voor één onderuit te halen. Zijn argumentatie is soms algemeen en principieel – zoals hierboven –, maar andere keren specifiek of pragmatisch. Zo zoomt hij het ene moment in op vraagstukken rondom wetsartikelen 137c (groepsbelediging wegens ras) en d (aanzetten tot discriminatie), om het volgende moment te betogen dat het oneerlijk zou zijn alleen Wilders te vervolgen om het uiten van zijn mening, maar anderen met dezelfde mening niet. Wil de rechtstaat niet in willekeur vervallen, dan zullen zij allemaal moeten worden veroordeeld, wat in de praktijk eenvoudigweg onmogelijk is. Het boek barst uit zijn voegen van een veelvoud aan argumentatielijnen.

Dat maakt het voor de lezer soms moeilijk om de bomen nog door het bos te zien. Dit al helemaal omdat Cliteur, naast de zaak Wilders II, ook de rechtszaken tegen actrice Brigitte Bardot, journaliste Oriana Fallaci en auteur Michel Houellebecq bespreekt. De overeenkomsten tussen deze zaken zijn groot – alle gedaagden hebben zich kritisch uitgelaten over de islam en/of moslims en stonden terecht wegens deze kritiek –, maar de verschillen dreigen door Cliteurs idiosyncratische presentatie ondergesneeuwd te raken. Een overzichtelijker gestructureerd betoog had het boek absoluut niet misstaan.

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders werpt echter genoeg interessante vragen op om door dat minpunt snel te vergeten. Cliteur is bovendien niet bang om scherpe, impopulaire posities in te nemen over de inhoud van Wilders’ uitspraken. Het bediscussiëren van zijn mening is immers de enige manier om erachter te komen in hoeverre zij hout snijden. Want uiteindelijk gaat het niet om de vraag of hij het mág zeggen. De echte vraag is: heeft hij gelijk? Zo ja, merkt schoolmeester Cliteur snedig op, dan hebben we ‘racisten’ als Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders misschien harder nodig dan we denken.

Eerder verschenen in Splijtstof