Dinsdag, 6 april, 2021

Geschreven door: Atangana Bekono, Simone
Artikel door: Geerlings, Dietske

Confrontaties

‘Salomé Henriette Constance Atabong. Dat ben ik’

[Recensie] Het debuut van Simone Atangana Bekono, Confrontaties, begint met een confrontatie op het veldje dat de gymzaal van groep zeven of acht scheidt van het asielzoekerscentrum. Een paar jongens gooien muntjes naar een zwarte man achter het hek en roepen “Pak dan, pak dan”. Een meisje vraagt waarom ze dat doen. De jongens zeggen lachend dat hij toch geld nodig heeft. De ik-persoon, Salomé Atabong, kijkt toe en hoopt dat de man de muntjes niet opraapt. Terwijl de rest al lachend achter de juf naar school loopt, blijft zij nog even staan en kijkt de man aan. Hij draait zich om en loopt, zonder de muntjes op te rapen, weg. Met deze eerste confrontatie is meteen duidelijk hoe dun de scheiding is tussen racisme, pesten en eventueel goede bedoelingen, maar vooral ook hoe makkelijk mensen zich kunnen verschuilen achter die goede bedoelingen en daarmee vrijuit lijken te gaan, en hoe dit gemak zich al op jonge leeftijd manifesteert. Als je, net als Salomé Atabong, zelf aanhoudend op deze scheidslijn balanceert, omdat je huid donker is en je een afrokapsel hebt, is het leven een keten van confrontaties, die uiteindelijk kunnen leiden tot een explosie. Simone Atangana Bekono laat op een indringende manier zien hoe zich stukje bij beetje een drama voltrekt in het leven van de zestienjarig Salomé.

Salomé zit vast in een jeugddetentiecentrum, omdat ze op een middag twee schoolgenoten ernstig heeft mishandeld. Tot overmaat van ramp herkent ze haar psycholoog, Frits, van een tv-programma waarbij Nederlanders in Afrika proberen te leven als de lokale bevolking, wat erop neerkomt dat ze deze mensen vooral belachelijk aan het maken zijn. Salomé krijgt diverse woedeaanvallen, omdat het voor haar onmogelijk is met deze man haar problemen te bespreken. Dat Frits, met deze televisieachtergrond, psycholoog is in een jeugddetentiecentrum is misschien niet helemaal geloofwaardig, maar als je bedenkt hoeveel kijkers zulke programma’s trekken en hoeveel mensen zonder gewetensnood daarom kunnen lachen, is het wel duidelijk hoe ‘normaal’ dit gedrag in onze samenleving gevonden wordt, net als bij de confrontatie van de schoolklas met de asielzoeker, en hoe onbegrepen een meisje als Salomé zich dan moet voelen bij een witte man van wie het volstrekt onduidelijk is of hij wel betrouwbaar is, terwijl zij zich hier juist veilig zou moeten voelen.

Terwijl de dagen in het centrum voorbijkruipen, probeert Salomé zich in te houden bij de verschillende ruzies tussen de andere jongeren en begeleiders, zodat ze wel vooruitgang boekt en er kans op ‘rehabilitatie’ is. Deze term wordt overigens vlijmscherp bekritiseerd, want letterlijk betekent het dat je weer teruggaat naar waar je vandaan komt, en dat is onmogelijk als je iets vreselijks hebt gedaan, want je kunt dat nooit meer ongedaan maken en je zult dat dus altijd bij je dragen en nooit meer terug kunnen naar de situatie van daarvoor.

Je krijgt ook niet alleen het leven in het centrum mee, maar ook diverse terugblikken naar vroeger, haar gezin met vader, moeder en zus, met wie ze via de telefoon of tijdens bezoekuren nog wel contact heeft, de reis naar Kameroen naar haar tante Céleste en oom Honoré. Salomé blijkt een verlegen en gevoelig meisje dat niet helemaal in de pas lijkt te lopen met de rest. Zij is intelligent, leest heel graag, trekt zich het liefst terug, heeft eczeem en kroeshaar dat alleen maar met behoorlijk geweld en olie in vlechten gekamd kan worden. Wat dat betreft staat het haar bijna symbool voor de situatie waarin het meisje zit. Ze begrijpt niet waarom het haar niet gewoon zo mag zijn zoals het uit zichzelf valt, waarom het gevlochten moet worden. Het haar is ook aanleiding voor anderen om haar ‘aap’ te noemen, maar ook voor een vriendelijke voorbijganger om ‘welkom in Nederland’ tegen haar te zeggen, terwijl zij hier al haar hele leven heeft gewoond. Op het gymnasium is zij een van de weinigen met een andere culturele achtergrond. Je hebt maar twee mensen nodig die er plezier aan beleven om je het leven zuur te maken, zegt ze, en het schoolgaan wordt een ware hel. Twee jongens, Salvatore en Paul, hebben het voortdurend op haar gemunt, en elke dag is ze bang dat zij haar vinden. Haar vader heeft in de schuur een boksbal opgehangen om haar weerbaar te maken en zo ontwikkelt ze een enorme kracht.

Geschiedenis Magazine

Het boek krijgt een beklemmende gelaagdheid door de angst- en koortsdromen die Salomé heeft, waarin een vrouw met bloedende ogen en enorme zwarte vleugels wild krijst als een Furie. Ze doet haar denken aan Medusa. Vanaf het moment dat ze terugkwam van de reis naar Kameroen, had ze “het gevoel alsof de raarste beelden aan elkaar verbonden raakten, beelden die niks met elkaar te maken leken te hebben.” Dit leidt steeds vaker tot een poëtische kluwen van zinnen waarin herinnering, droom en werkelijkheid door elkaar kronkelen:

“motherfuckers nee/ want ik had het bloed in mijn mond het bloed tussen mijn tanden en toen kreeg ik pas echt met het ijzer en het bloed en de vuisten de smaak de kracht de wind is guur en ik heb een stok in mijn hand zie alles duidelijk de afstanden de kleuren en hoe alles zich tot elkaar verhoudt./Je moet met elke slag een stap naar voren doen, zei papa, alsof je dóór je vijand heen slaat./Het zijn een mond en een vuist en ze zoenen./Het is heerlijk./Ik ben vrolijk en wakker en zie alles. Het is licht en koud en ik ben wakker het gekrijs. Ik sta in de wereld ik ben naakt in de woestijn ik ben gigantisch licht ik ben wakker ik krijs met ellebogen zwemmend in vlees./Ik besluip niemand, maar het gevecht is stil. Er is niets zo stil als drie lichamen die botsen in een weiland aan de rand van de provinciale weg […]”

Hier zie je ook hoe de taal voor elkaar krijgt dat je de mens gaat zien als een vloeibaar geheel dat kolkend kan overkoken als er allerlei gevaarlijke grondstoffen aan toegevoegd worden.

Simone Atangana Bekono opent de ogen van de lezer voor hoe ingewikkeld het is om volwassen te worden in zo’n ingewikkelde situatie, waarbij je je voortdurend moet afvragen wie je bent, of je wel mag zijn wie je bent, of je je moet aanpassen en hoe je dat dan moet doen, omdat je voortdurend van alle kanten tegenstrijdige signalen krijgt. Het is een boek dat ook heel geschikt is om leerlingen met allerlei verschillende achtergronden te laten lezen en het te bespreken op school. De auteur zet Salomé Atabong zo zuiver neer, met alle woede-uitbarstingen, tegenstrijdige gedachten en af en toe behoorlijk grove taal, dat je haar als lezer wel in je hart moet sluiten.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken / Sanis libris, vita lacuna