Donderdag, 26 maart, 2020

Geschreven door: Uildriks, Marieke
Lent, Daan van
Keuning, Ralph
Artikel door: Stoel, Jan

Cremer Noordwaarts 2010-2020

“Ik hou het meest van storm”

[Recensie] “Rembrandt? Wie is dat? Ik doe niet aan sport”, is een van de ontregelende uitspraken van Jan Cremer. Op 20 april 2020 wordt de kunstenaar, schrijver, theater- en filmmaker tachtig jaar. Museum JAN in Amstelveen wijdt een tentoonstelling aan de ‘zeezichten’ van Cremer (tot 21 juni te zien). Bij de tentoonstelling hoort het rijk geïllustreerde boek Noordwaarts, een boek dat aandacht besteedt aan de zeezichten die hij tussen 2010-2020 maakte. In het boek zijn verder een chronologisch overzicht van leven en werk (met zwart wit-foto’s geïllustreerd) opgenomen, evenals overzichten van zijn groeps- en eenmanstentoonstellingen, de bekroningen, beurzen en awards, de collecties waarin werk van hem te vinden is en een selectie van publicaties.

Cremer wordt gezien als een enfant terrible van de Nederlandse kunst en literatuur. Hij zet zich af tegen al het gangbare zowel in de literatuur als in de kunst, doorbreekt conventies en tradities, volgt altijd zijn eigen weg, zoekt zijn eigen ruimte. Dat levert confrontaties op. Niet voor niets schreef hij zelf: “Het leven is een eenmansguerilla.” Het boek Ik Jan Cremer uit 1964 is daar een voorbeeld van. Op de cover zette hij ‘onverbiddelijke bestseller.’ Ook op kunstgebied choqueerde hij toen hij zijn vijfluik La Guerre Japonaise (1960) voor een miljoen gulden te koop aanbood. Het werk heeft nu een prominente plek in Museum De Fundatie.

Strijd is een kernthema in zijn leven. Hij liep op zijn veertiende weg, maakte nooit een opleiding af, ging op zijn achttiende naar Parijs en leerde daar bij Karel Appel, Bram Bogart en Ossip Zadkine de technieken van schilderen, beeldhouwen en lithograferen. In 1958 kocht Willem Sandberg van het Stedelijk Museum Amsterdam liefst tweeëntwintig doeken voor hem. Een anekdote in het boek beschrijft hoe die ontmoeting tot stand kwam.

Ralph Keuning van Museum De Fundatie verweeft in zijn toegankelijke bijdrage in Noordwaarts de biografie van Cremer met zijn werk. Het eigenzinnige, de ‘stormkracht’ van Cremer komt daarin naar voren. Keuning legt bovendien de verbinding naar de werken in de collectie van De Fundatie, het museum dat de grootste collectie museale werken van deze kunstenaar bezit. Zo ontstaat een breder perspectief op Cremer en zijn werk. In 2015 was er nog een overzichtstentoonstelling van de periode 1954-2014 van Cremer. Cremer leerde van Appel, maar wilde zich niet bij Cobra (dat toen als vereniging niet meer bestond, maar wel succes had) aansluiten. Keuning: “Aansluiting vergt aanpassing en dat wil hij natuurlijk niet. Parijs was het vertrekpunt. Appel moest voorbijgestreefd worden.” Over ambitie gesproken!

ScĂšnes

Vanuit de materiekunst van Bogart ontwikkelde Cremer zijn ‘peinture barbarisme’, “woeste schilderijen met dikke lagen verf, vermengd met zand en andere materialen”. Over zijn visie op de schilderkunst zei hij in 1959: “Ik sodemieter verf op een doek, ik druip, spat, sla, schop. Ik vecht met verf en soms win ik.” Het lijkt op de uitspraak van Karel Appel: “I don’t paint, I hit.” Cremer kiest dus de aanval, is altijd oorspronkelijk.  Vanaf 1961, als hij op Ibiza woont, krijgt het landschappelijke meer aandacht, wordt zijn werk lichter. In 1964 verblijft hij in het befaamde Chelsea Hotel in New York en gaat hij zijn gekleurde tulpenvelden schilderen. Keuning: “Hij verbindt de Hollandse landschapstraditie met het clichĂ©beeld van de tulpen met popart. De tulpen lijken op harten.” Later, als hij zijn ‘autobiografie’ De Hunnen (1984) heeft geschreven komen de zwarte en rode tulpen in zijn werk, in het gelid als ware het een leger. Ook hier dus weer de strijd om vrijheid.

Vanaf 2000 gaat hij zeezichten schilderen. Hij grijpt daarbij terug naar zijn jeugd. Toen hij zeventien jaar was voer hij als matroos op de wilde vaart en maakte veel tochten naar het noorden: de Noodzee, de Finse Golf, de Noordkaap, de Oostzee. De Noordelijke IJszee. In deze schilderijen zie je de kracht, de dreiging, maar ook de schoonheid van de zee terug. In het boek staan de kleurenafbeeldingen van de vaak grote schilderijen, soms meterslang: de branding, de storm op zee, het licht, de kleuren. Alleen maar natuur, geen mensen. Vaak is wel de horizon te zien, maar de wervelingen, kolkende watermassa’s leiden ook tot abstractie. Woest, onrustig: een verwijzing naar zijn leven. Marieke Uildriks, Directeur van Museum JAN, beschrijft zijn manier van werken prachtig:

“Cremer maakt zijn olieverf zelf, en brengt die op het linnen (soms jute) aan met bijvoorbeeld penselen, spatels en zijn handen. Zo beeldhouwt hij als het ware zijn golven en schuimkoppen tot driedimensionale vormen en suggereert daarmee beweging. Niet voor niets zegt Cremer: ‘Ik hou het meest van storm.'”

Noordwaarts toont dat Cremer nog steeds even fris en eigenzinnig bezig is met het verhaal van zijn leven, dat eigenlijk Ă©Ă©n groot avontuur is, vorm te geven. Ook nu weer weet hij te verrassen. Een actueel interview met Cremer zou te verkiezen zijn geweest boven een afgedrukt interview uit 2015 en een artikel uit 1996 van Annelette Hamming in het Engels en Frans (waarom niet in het Nederlands?) voegt niet veel toe. Maar geniet van de lekker fors afgebeelde schilderijen en de twee keramische werken. Laat je meevoeren door de stormkracht van Cremer.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

De tentoonstelling Cremer Noordwaarts 2010 – 2020 is te zien van 13 maart tot 21 juni 2020. Tot 1 juni is het museum gesloten.