Woensdag, 27 mei, 2020

Geschreven door: Loo, Bart van
Artikel door: Roos, Marjoke de

De Bourgondiërs

De Bourgondiërs in geuren en kleuren

Honderd jaar geleden verscheen Johan Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen. Het boek werd beroemd door zijn nieuwe blik op leven en cultuur in de Bourgondische tijd in Frankrijk en de Nederlanden. Huizinga gebruikte andere bronnen dan de oorkonden die historici toen met name bestudeerden. Voor zijn Herfsttij baseerde hij zich vooral op ridderverhalen, poëzie, miniaturen en schilderijen. Huizinga’s brede benadering helpt nog altijd om het verleden te begrijpen, signaleert Marjoke de Roos. De nieuwe Bourgondiëspecialist Bart Van Loo heeft ook zo’n brede blik.

[Recensie] In de geest van zijn tijd, de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog vers in het geheugen, en onder invloed van zijn persoonlijke omstandigheden na het overlijden van zijn echtgenote, beschreef Huizinga de Bourgondische tijd als een periode van neergang. Aanvankelijk had hij een studie willen schrijven over het werk van de schilderende broers Jan en Hubert van Eyck. Kunsthistorici waren hen gaan beschouwen als de wegbereiders van een noordelijke renaissance, maar voor Huizinga was dit idee van opbloei ondenkbaar. Wat hij zag waren afbrokkelende middeleeuwse ridderidealen in een boze wereld, waarin haat en oorlog hoogtij vierden en waarin de kerk en andere goedwillenden de mensen tot rust en inkeer wilden brengen.
Huizinga, opgeleid als taalwetenschapper, schreef in de literaire stijl van de Tachtigers. Zijn boek viel meteen in de smaak bij het publiek. Vakgenoten bekritiseerden zijn ongebruikelijke aanpak maar mettertijd groeide hun waardering. Na de herdenking van Huizinga’s 100ste geboortedag in 1972 groeide de belangstelling voor zijn beeld van het verleden en de min of meer antropologische werkwijze waarmee hij de 14de en 15de eeuw te lijf ging. Tegelijkertijd raakten de Middeleeuwen weer in de mode. Bestsellers
als Barbara Tuchmans De waanzinnige 14de eeuw, Montaillou van Emmanuel Le Roy Ladurie of Umberto Eco’s De Naam van de Roos, en historici als Georges Duby en Jacques Le Goff lieten zien, hoeveel je te weten kon komen over de manier van leven en denken van gewone middeleeuwers, en hoe boeiend dat was.

Polderen
De grootste eyeopener in de jaren ’70 en ’80 was misschien wel dat je de geschiedenis kon bestuderen aan de hand van zeer uiteenlopende bronnen en vanuit verschillende invalshoeken tegelijk, zoals Huizinga ook al deed. Wetenschappers kwamen er geleidelijk achter dat je door een meer integrale benadering van de beschikbare bronnen dichter bij de 14de en 15de eeuw kon komen. Door niet alleen uit te gaan van literaire teksten, maar ook te kijken naar de grafelijke boekhouding, stadsrekeningen, historische kronieken, archeologische vondsten of beeldmateriaal, konden literatuurhistorici als Frits van Oostrom, Herman Pleij en vele anderen de contouren van de cultuur aan het hof van de graven van Holland of in steden als Brussel of Antwerpen veel duidelijker neerzetten. Ook kwam er steeds meer zicht op het godsdienstige leven, de mystiek en hoe kerk en gelovigen de relatie zagen tussen het aardse leven en het hiernamaals – een geschiedenis in geuren en kleuren dus, precies zoals Huizinga die op het oog had.

Recente studies beamen Huizinga’s oordeel dat de 14de en 15de eeuw heftig waren, een periode vol ongegeneerde vorstelijke pracht en praal tegenover oorlogen, geweld, onveiligheid, honger en epidemieën. Van een stormachtig, maar somber ogend herfsttij is bij hen echter geen sprake, omdat ze tegelijkertijd kiemen van vernieuwing zien. Ze wijzen erop dat de dynastieke ambities van de Bourgondische machthebbers uiteindelijk ook positieve effecten hebben gehad en met bijvoorbeeld hun Statenvergaderingen en de modernisering van rechtspraak en financiën de grondslag legden voor de staatsvorming in onze contreien.

Archeologie Magazine

De wereld veranderde, en juist de aanpassingen daaraan kenmerkten de Bourgondische tijd. Het was nodig om te zoeken naar een balans tussen de economische macht van de steden en de machtshonger van de politieke leiders. We zouden het nu ‘polderen’ noemen. Huizinga had daar maar weinig oog voor, maar historici na hem, zoals Richard Vaughan, Walter Prevenier en Wim Blockmans, zagen dat wel en gaven de aanzet tot diepgaander onderzoek naar deze overgang naar de ‘nieuwe tijd’.

Karel de Stoute in de sneeuw
De jongste bijdrage aan de kast vol boeken over de Bourgondiërs komt van Bart Van Loo, die in de voetsporen van Huizinga treedt met een meeslepende kroniek vol aanstekelijke details en verbeeldingen van het verleden: Jeanne d’Arc als model voor de warrior woman in films, stripverhalen en tv-series, om het hier bij één voorbeeld te laten. Net zoals middeleeuwse kroniekschrijvers die zich op de geschiedschrijving van voorgangers baseerden, gebruikte Van Loo het werk van wetenschappers voor zijn eigen verhaal. En verhalen vertellen kan hij als geen ander. Dat doet hij soms letterlijk: als conferencier op een podium of op televisie bij De Wereld Draait Door. Op onnavolgbare wijze belichtte hij daar de Franse geschiedenis aan de hand van het Franse chanson. Zijn boek over Napoleon en de Franse Revolutie kreeg in het theater een extra dimensie, doordat Van Loo zijn eigen familiegeschiedenis erin verwerkte.

In zijn nieuwe boek De Bourgondiërs werpt hij zich op de dynastieke wortels van de Lage Landen bij de zee, een bestuurlijke eenheid die voortkomt uit het huwelijk van Filips de Stoute en Margaretha van Male in 1369, waardoor het graafschap Vlaanderen en het Franse hertogdom Bourgondië verenigd werden. In de loop van de 14de en 15de eeuw vergaarden de volgende hertogen (Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria van Bourgondië, Filips de Schone) steeds meer gebieden ver ten noorden van het Bourgondische kerngebied rond Dijon door strategische huwelijken te arrangeren en regelmatig nieuwe bondgenoten aan zich te binden. Onder Filips de Goede (1419-1467) kwamen Brabant, Gelre, Holland, Henegouwen, West-Friesland en Zeeland erbij.

Van Herfsttij der Middeleeuwen is wel gezegd dat het een “schilderij in woorden” is. Voor Van Loo’s De Bourgondiërs geldt hetzelfde. Evenals Huizinga laat Van Loo zich inspireren door de kunst uit de tijd van de Bourgondische hertogen. De Van Eycks, de gebroeders Limburg, Klaas Sluter, Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes en Hans Memlinc wisten de mensen toen en nu te betoveren met hun weergave van cultuur, geloof en mentaliteit. Niet dat deze hoogstaande schilderijen voor Van Loo de eerste aanleiding waren om met zijn boek te beginnen. Hij vertelt dat hij vooral is getriggerd door een romantisch prentje van het lijk van Karel de Stoute onder de sneeuw vlak bij de stad Nancy, dat in zijn jeugd verkrijgbaar was als extraatje bij de boodschappen. Karel, hertog geworden in 1467, sneuvelde in 1477 in de Slag bij Nancy. Hij vluchtte toen leek dat zijn manschappen aan de verliezende hand waren en viel van zijn paard. Het verhaal gaat dat zijn gezicht al was aangevreten door wolven en zijn wapenrusting en kleren waren geroofd, zodat zijn lijfarts hem moest identificeren aan de hand van littekens.

Geen koningskroon
De dode vorst, een humorloze streber die te veel waarde hechtte aan zijn eigen gelijk, een matige strateeg die machteloos in de sneeuw ligt na een mislukte poging om het nog maar net veroverde Lotharingen voor zijn rijk te behouden – het prentje is voor Van Loo de ultieme verbeelding van het “fiasco van een theaterstaat”: de weelde en het uiterlijk vertoon van de vorsten moest de bevolking imponeren, en mensen meekrijgen om de ambities van de vorsten waar te maken, maar dit lukte lang niet altijd. Neem kruistochtplannen van Filips de Goede. Deze hertog wilde bewijzen dat hij de Europese vorsten, inclusief de paus, aan een touwtje had. Hij haalde alles uit de kast bij de verloving van zijn nichtje Elisabeth van Bourgondië met heer Jan van Kleef. Bij dit feest der feesten in februari 1454 in Rijsel zwoer hij tijdens het banket – op een levende fazant die op het menu stond – dat hij ten strijde zou trekken om Constantinopel, een jaar tevoren gevallen, te heroveren op de Turken. Natuurlijk verwachtte hij dat alle aanwezigen hun instemming zouden betuigen en dat gebeurde ook, te beginnen met zijn zoon Karel de Stoute. Er gingen inderdaad wat ridders op weg, maar het ware vuur was na het feest gedoofd, veel daadwerkelijke steun kwam er niet en de kruistocht werd uiteindelijk afgeblazen. Hoewel Filips op het toppunt van zijn macht stond, en vermoedelijk ook echt de Turken wilde verjagen, kreeg hij die kruistocht dus niet voor elkaar.

Filips droomde waarschijnlijk zijn hele leven van een koningskroon. Pas dan zou hij echt meetellen op het politieke en diplomatieke toneel. Zijn zoon Karel de Stoute leek op weg om inderdaad een kroon los te peuteren bij de Duitse keizer Frederik III: was het niet de titel van Rooms Koning, dan zou er toch op zijn minst een koninkrijk Bourgondië binnen het Duitse Rijk moeten komen. Maar dit viel al net zo in het water als de kruistocht: de kroning in Trier was voorbereid, maar op het laatste moment vertrok de keizer als een dief in de nacht, waarna Karel alle rekeningen moest betalen. Karels dochter Maria van Bourgondië trouwde uit machtsoverwegingen met kroonprins Maximiliaan van Oostenrijk, en zo kwam het bestuur over de Lage Landen uiteindelijk in Habsburgse handen. Keizer Karel V was Maria’s kleinzoon. Onder de Habsburgers en erna is het bestuurlijke grondpatroon uit de Bourgondische tijd echter zichtbaar gebleven: de blijvende erfenis van het Bourgondische huis.


Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

Marjoke de Roos studeerde geschiedenis in Groningen en Parijs. Zij is werkzaam bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.