Vrijdag, 24 april, 2020

Geschreven door: Gussinklo, Wessel te
Artikel door: Lierop, Tea van

De hoogstapelaar

Innerlijke monologen van een eenzame filosoof, “immer in wording”

[Recensie] Deel drie van de trilogie (de eerdere delen zijn De verboden tuin en De opdracht) over Ewout Meyster schijnt prima zelfstandig te lezen te zijn. De roman werd onlangs genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en staat op de shortlist. In 2019 werd het boek bekroond met De BookSpot Literatuurprijs voor fictie (50.000 euro) en de Zeeuwse Boekenprijs 2019. Wat heeft dit boek dat het zoveel nominaties verdient?

De zeventienjarige Ewout heeft slechts één missie: de wereld ervan overtuigen dat HIJ de wijsheid in pacht heeft, weet hoe het hoort, hoe je een man van de wereld wordt, de juiste mensen kent, de goede woorden gebruikt. Ooit zal hij alles verwerken in een boek en het publiek zal aan zijn lippen hangen net zoals men deed wanneer Jean-Paul Sartre een lezing gaf. Ewout spiegelt zich niet aan de minste publieke figuren, behalve Sartre noemt hij Albert Camus, Merleau-Ponti en Nietzsche. Niet dat hij er veel van snapt –  verder dan wat doorbladeren komt hij niet –  terwijl de leraar het zo uitlegde dat hem alles glashelder werd. Wanneer hij vervolgens L’être et le néant van Sartre moet lezen voor school valt niets op zijn plek, alleen maar woorden, geen beelden, geen ‘aha’ momentjes. Dit gevoel van steeds iets willen bereiken, er je best voor willen doen, maar alles vergeefs is zo’n beetje het thema.

“‘Ho ho,’ zei Gert opnieuw. ‘Zo zo. Sartre hè? Nou. Nou. Tjonge. Wat weet jij van Sartre…?’ Hij slikte even. ‘Jongen’ had hij willen zeggen; een plaatsbepaling, een definitieve bevestiging die duidelijk maakte wie hij zelf was, en hoe hij hier stond – een volwassene met een jazzkelder, en mooie vrouwen, ook volwassen, om hem heen, en tegenover hem die jongen – achttien misschien, een ‘jongen’; niets eigenlijk. Zichtbaar vormde zijn mond zich al naar dat woord. Maar hij zag Ewouts blik, zijn roerloos fonkelende ogen strak op hem gericht en het wetende lachje daarin; waakzaam, op alles voorbereid, en het woord gleed weg. En hij, Ewout, knikte naar hem onveranderd glimlachend, grootogig en roerloos was zijn blik.”

Door de vorm waarin de auteur Ewouts gedachten overbrengt: veel innerlijke monologen met daartussenin dialogen met vooral vrienden, geen getitelde hoofdstukken, wel vier genummerde delen, is het boek te lezen als één lange gedachtestrijd. Ewout geeft niet makkelijk op. Dat koppige vasthouden aan iets wat niet voor hem weggelegd is beheerst zijn hele bestaan. Niets kan ‘zomaar’ zijn, geen woord, gebaar, wat je drinkt, wat je draagt, hoe je haar behoort te zitten, alles kan bijdragen aan het ‘juiste’. Dit boek is veel meer dan een jongen die zich koste wat kost wil spiegelen aan de jongens en mannen die het gemaakt hebben. Zijn worsteling met de eenzaamheid laat een prachtig tijdbeeld zien. Het taalgebruik brengt de jaren 60 tot leven. Een woord als ‘mieters’ (doet denken aan J.J. Voskuil) en de populariteit van Elvis Presley, Harry Belafonte, Cliff Richard brengt je als lezer direct in de juiste sfeer waarin het verhaal zich afspeelt.

Wordt Vervolgd

De opstandige Ewout heeft het regelmatig met zijn moeder aan de stok. Zij heeft samen met een compagnon een boekhandel, religieuze werken worden er verkocht. De krachtmeting met de moeder past in iedere tijd, maar in de jaren ‘60 waren de verschillen met ouders en kinderen vaak aanzienlijk en werden vergroot door de barsten in de verzuiling die tot dan zorgden voor een duidelijk georganiseerde maatschappij. Dit alles weet de auteur over te brengen door te vertellen over de kerk, de verderfelijke dansmuziek, foute kleding, roken, drinken, kortom alles wat de jeugd ten gronde kan richten. Moeder ziet Ewouts ogen (hij traint op een koele blik)

‘‘’Moet je die ogen zien. Het is de duivel die daaruit spreekt, jongen. Keer terug van deze verkeerde weg.’ En ze was de kamer uitgegaan zonder nog een woord te zeggen.’”

Deze meesterlijke roman heeft vele facetten. Hij legt eigenlijk de hele structuur van het menselijk bestaan bloot. Neem alleen het feit dat Ewout bedenkt dat HIJ het recht heeft om andere jongens de les te lezen. Hij trekt macht naar zich toe op een heel berekende manier. Wanneer het niet zo’n eenzame trieste figuur was zou je een hekel aan hem krijgen, het gevoel voor hem balanceert op het randje. De titel verwijst naar een opschepper, blaaskaak, dat is precies het juiste woord. Als zelfbenoemde man van wereld houdt hij spreekuur voor zijn vrienden. Hier wordt het thema knecht-meester uitgewerkt, zolang de jongens nog schuchter om een afspraak komen vragen is hij meester.

Maar er is meer. Verborgen moeten zijn seksuele verlangens blijven! Dat is alleen voor hem, gedachten, fantasieën, opwindende kledingstukken….al die dingen zijn onderdeel van zijn escapisme, zo kan hij verder. Ook homoseksualiteit wordt argwanend bekeken, waar hoor je bij, word je uitgescholden of als held bekeken? In de vriendengroep is dit een veelbesproken thema, het heimelijke en verbodene ademt de sfeer van de jaren ‘60. Zo vrijgevochten waren ze nog niet, hoewel er toen wel steeds meer taboes opgeheven werden.
Voor wie houdt van boeken die zich afspelen in de broeierige jaren 60, niet wars is van een boek waarin ogenschijnlijk niet veel gebeurt en niet schuw is van vele leestekens zoals haakjes, is dit precies het juiste boek, een aanrader.

“Over hém ging het! Over hemzelf! Hij was het over wie de leraar Frans vertelde. Hij was zoals Sartre; ook al was hij dit jaar weer blijven zitten – voor de derde keer al – en werd hij opnieuw van een school verwijderd; geen school wilde hem nog hebben. Maar net als Sartre zou hij een groot denker worden, een filosoof. Wat had hij geleden en gedwaald, en zich in bochten gewrongen. Als in een koker van duisternis ging hij voort, elke dag opnieuw. En geen einde, geen uitweg had hij kunnen vinden. Een melaatse was hij, een zieke, met die gedachten en ideeën die niemand had, en waarvan niemand mocht weten dát hij ze had. Want vals was hij en heimelijk, een paria, een vijand van allen die gewoon waren en als zichzelf.”

Eerder verschenen op Metdeneusindeboeken