Dinsdag, 26 april, 2016

Geschreven door: Neggers, Martijn
Artikel door: Cuijpers, Anke

De mensen die achterbleven

Humor, anekdotes, en een schildpad

Exact twee uur per dag werkt de oude Neg aan zijn archief met ontmoetingen. Een bonte stoet figuranten trekt op die manier langs, van een sprakeloze kliko tot Woef en André, waar hij een levenslange vriendschap mee opbouwt. In zijn romandebuut beziet Neggers de wereld met humor en schuwt hij ook het kleine en het lullige niet.

Het verhaal begint bij de jongen Martijn Neggers, geboren in Valkenswaard, een dorp waarin je, ook als je niet voetbalt, ofwel bij de Valken, ofwel bij de Bosuilen hoort. Op een dag neemt hij het besluit om naar de grote stad te verhuizen, omdat hij meer wil van het leven:

‘Ach, Petertje,’ antwoordt mijn moeder, ‘zo’n vaart zal het toch niet lopen? Hij is toch best wel een verantwoordelijke jongen?’

Met tegenzin draait mijn vader bij. ‘Je moeder en ik zullen eens bellen met de buurvrouw van Leonora.’

Nederlandse Natuurkundige Vereniging

‘Maar wie zegt dat ik in Tilburg wil wonen?’

‘Je moeder heeft gelijk. Begin nou maar eens met Tilburg, dan kun je daarna altijd nog zien.’

Zonder iets te zeggen knik ik voorzichtig.

In Tilburg aangekomen plakt Neggers een papier op zijn koelkast met de dingen waaruit dat grootse en meeslepende leven volgens hem dient te bestaan: vrienden, een baan, vrouwen, avontuur, en rock-`n-roll. Ingrediënten die we in kleine hoofdstukjes uit het archief van de oudere Neggers, en met van data voorziene koppen, voorbij zien komen. Meest van al krijgen we echter vermakelijke anekdotes over types waarmee een willekeurige stad of dorp bevolkt kunnen zijn: twee jehovagetuigen worden uitgenodigd om toch vooral te blijven eten, een caissière met vervaarlijke nagels, een buurmeisje met een passie voor Hello Kitty, de notoire dronkaard in het café, om er maar een paar te noemen.

In café Weemoed, waar Neggers als barman werkt, ontmoet hij André Van Den Boogaart. Een ontmoeting die uitmondt in een levenslange vriendschap. De vriendschap tussen deze twee mannen slingert als een prettig waarachtige draad tussen al de overige ontmoetingen heen. Neggers trekt zelfs bij André in nadat hij zijn baan verliest, maar komt van de regen in de drup als niet veel later ook André zonder inkomen komt te zitten, en zijn woning verkoopt.

Pas echt triest wordt het verhaal als de twee vrienden daarna zonder een cent op zak in de prostitutie belanden in Berlijn. De inmiddels waardeloos geworden sleutels en portemonnee blijken genoeg als dwangmiddel om de twee vrienden tot prostitutie te forceren. En zo schlemielen ze verder door Berlijn. Gelukkig is daar moeder Neggers die de twee uiteindelijk uit hun misère haalt.

Geloofwaardigheid

Het boek had baat gehad bij meer redactie, de slordigheden en onhandigheden die opduiken doen af aan de geloofwaardigheid. Laat ik een voorbeeld geven. Eveline, die hij ’s ochtends, in de tijd dat hij bij André inwoont, zittend aan de keukentafel aantreft, zegt:

‘Ik ben met André meegekomen.’

‘Aha. Gezellig.’

‘Terwijl ik uit de keukenkast een koffiemok en een liga pak, praat Eveline verder. ‘We hebben geneukt, maar hij viel halverwege in slaap.’

Ik loop het woongedeelte in. Ze kijkt behoorlijk uitdrukkingsloos. Staart een beetje voor zich uit.

‘Kijk aan,’ antwoord ik. Ik denk even na. Dan schenk ik koffie in en draai me om. 

Het is slordig, als de schrijver niet weet waar hij is, woonkamer of keuken. Maar als hij ons niet deelachtig wil maken wat er in het gemoed van zijn personage gebeurt, blijft het verhaal aan de oppervlakte dobberen. Er wordt een scène opgebouwd naar iets dat niet onthuld wordt. De ontmoeting met Eveline is een eenmalige, en anekdotisch.We lezen alleen dát er iets te denken valt, over iets, of iemand. Er zijn vast lezers die er overheen lezen, maar het verhaal ontstijgt op zo’n manier het niveau van de lollige borrelpraat niet.

De schildpad

De auteur geeft veel humoristische anekdotes, maar het verhaal verliest daarmee soms haar samenhang en diepgang. Wanneer hij deze stijl loslaat, zoals in het verhaal over de schilpaddenjongen, laat de romancier zich pas echt zien. Dit verhaal is treurig zoals het hoort. Daarbij vergeet ik zelfs dat de middenvelder tijdens een voetbalwedstrijd wordt herkend als ‘iemand waarmee Neggers op de mavo zat in een klein dorpje bij Eindhoven’. Een dorp dat dan al zo’n vijftig pagina’s lang Valkenswaard heet.

De mensenarchivaris Neggers schept, gewapend met de pot Tipp-Ex, zijn verleden zoals hij het zich wil herinneren. Zodat het leven hopelijk niet voor niets is geweest, er iets is dat achterblijft. Zijn archief bestaat uit ontmoetingen die met vaart, leedvermaak en humor worden verteld, maar de anekdotiek helaas niet vaak overstijgen.