Vrijdag, 15 mei, 2020

Geschreven door: Hoffman, Alice
Artikel door: Arts-Honselaar, Hanneke

De wereld die we kenden

Het redden van de volgende generatie Joden

“Ze voelde vrijheid: ze ontsnapte aan de banden die haar vasthielden en deed wat ze wilde, al was het maar voor een paar uur.”

[Recensie] Het verhaal in De wereld die we kenden begint in Berlijn in 1941 en eindigt in 1944. De Joodse bevolking voelt zich steeds onveiliger in de stad en velen zoeken naar mogelijkheden om een veilig onderkomen te vinden voor zichzelf of hun kinderen. Zo ook Hanni Kohn. Zij zoekt een mogelijkheid om haar twaalfjarige dochter Lea te beschermen tegen de nazi’s en wil haar daarvoor naar Frankrijk sturen. Omdat ze zelf niet meekan (ze moet voor haar zieke moeder zorgen, die niet meer kan reizen) en haar dochter op haar reis wil beschermen, gaat ze naar haar buurvrouw (tante Ruth) toe. De man van haar buurvrouw werd als tovenaarsleerling gezien omdat hij onder begeleiding van de vader van zijn vrouw, het mystieke geschrift van het Jodendom, de Zohar, had bestudeerd.  

Hanni’s buurvrouw heeft van haar vader geleerd dat magie en geloof nodig zijn om het slechte te bestrijden. Hij was van mening dat je je daartoe moest wenden als er geen andere optie meer was. Daarom spreekt tante Ruth Hanni over de golem. Dit wezen, dat als eerste wordt genoemd in het Boek der Psalmen, heeft geen ziel, alleen ruach, het leven, adem. Een golem kent de taal van de vogels en de vissen, kan in de toekomst kijken, met de doden communiceren en demonen overwinnen. Dit schepsel beschermt de Joden sinds het begin der tijden en zal Lea kunnen beschermen op haar reis naar veiligheid.

Hanni krijgt van tante Ruth het adres van een rabbijn die befaamd is om zijn kennis van geesten en magie. Zij krijgt de rabbijn zelf echter niet te spreken. Wel zijn oudste dochter. Het is deze Ettie die voor haar in het diepste geheim een golem uit klei tot leven wekt en haar de opdracht geeft Lea op haar reis te beschermen en haar nooit te verlaten of alleen te laten.

C2W

Het ritueel van het scheppen van de golem is op prachtige wijze beschreven en vormt een van de mooiste hoofdstukken van het boek: de schroom van Ettie, haar gehechtheid aan de Joodse traditie; de magische wereld van de Zohar; de terughoudendheid vanwege het feit dat zij als meisje een ritueel uitvoert dat voorbehouden is aan mannen; het geloof in de kracht van magie; de urgentie van de handeling vanwege de bedreiging die uitgaat van het nazi-regime.

Het vervolg van het verhaal beschrijft op verdichte wijze het afscheid van Lea en haar reis met de golem Ava. Een reis die lang en grillig blijkt te verlopen. Bij vertrek smeekt Hanni Ava van Lea te houden alsof ze van haarzelf is. Gedurende de reis krijgt Ava steeds meer menselijke trekjes, leert ze wat liefde is en ontstaat er een hechte relatie tussen haar en Lea.

De reis staat symbool voor het redden van de volgende generatie Joden, tegen de vernietiging in, die de Sjoa is. In de trein treffen Lea en Ava de beide dochters van de rabbijn, Ettie (die Ava geschapen heeft) en haar jongere zusje Marta. Hun levens raken in het verhaal steeds verder met elkaar vervlochten en zij treffen elkaar steeds weer.

Gedurende het verhaal is de mooie, geduchte engel Azraël, die uit zijn slaap wordt gewekt als de deur naar de Komende Wereld openzwaait, steeds in de buurt. Soms dreigend, soms berustend, maar steeds als realiteit, klaar om een ziel te ontvangen wanneer diens tijd gekomen is.

Ondanks de context van angst en vernietiging ademt het boek hoop en vertrouwen in de kracht van het leven zelf. Het laat de lezer op subtiele wijze deel krijgen aan de hoop dat – wanneer het eigen leven redden niet meer tot de mogelijkheden behoort – het redden van de volgende generatie een gedeelde zorg wordt.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles