Zondag, 14 februari, 2021

Geschreven door: Weisman, Alan
Artikel door: Heumakers, Arnold

De wereld zonder ons

Het gaat niet om de aarde, het gaat om de mensheid

[Recensie] Van oudsher is de mensheid gefascineerd door haar eigen ondergang. Het begint al met de Zondvloed of – iets minder ambitieus – met de vlammenzee waardoor Sodom en Gomorra werden verzwolgen. Vrijwel steeds is er sprake van schuld en boete, de symptomen van een kennelijk onuitroeibaar masochisme. Enkel de mens heeft er last van, enkel de mens is in staat over zichzelf na te denken en uit onvrede zijn eigen verdwijnen te verzinnen. Waarna de natuur, al dan niet onder goddelijk toezicht, het weer alleen voor het zeggen zal hebben.

Maar hoe gaat het verder met de aarde zonder de mens? Meestal blijft het bij vage en fantastische aanduidingen, zoals in Piet Meeuses nieuwste verhalenbundel [2007/red.] Het lied van de ezelin. Daar peinst een personage over een toekomst waarin “alle steden zijn verkruimeld tot overwoekerde puinhopen en nieuwe diersoorten alle snelwegen en kabelnetwerken weggevreten hebben,” terwijl “wonderbaarlijke insecten zo groot als helikopters door de lucht snorren en nergens iemand is die nog ergens van weet.”

In zijn boek The world without us (in 2007 vertaald als De wereld zonder ons, in 2020 op nieuw verschenen/red.) pakt de Amerikaanse journalist Alan Weisman het systematischer aan. Hij onderneemt een ‘creatief experiment’, door zich voor te stellen wat er gebeurt als de mens opeens, van de ene dag op de andere, zou verdwijnen. Niet als gevolg van een catastrofe die ook de rest van de natuur aantast, maar bijvoorbeeld als gevolg van een uitsluitend voor de mens dodelijk virus. Alles gaat gewoon verder, alleen de mens niet. De fascinatie blijkt nog steeds niet uitgewerkt, want Weismans boek is in Amerika een bestseller geworden. De wereld zonder ons is ook fascinerend, te meer omdat Weisman er niet in het wilde weg op los speculeert, maar probeert zo dicht mogelijk bij de nu beschikbare kennis en ervaring te blijven. Hij speurt naar plekken op aarde, waar de mens al een tijdlang geen voet meer heeft gezet: de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Korea, een in 1974 verlaten hotelcomplex in het niemandsland tussen het Turkse en het Griekse deel van Cyprus, een ‘laaglandoerbos’ op de grens van Polen en Wit-Rusland en de verboden zone rond de sinds de ramp van 1986 gesloten kerncentrale in Tsjernobyl. Overal blijkt de natuur het gebied te hebben terugveroverd, elders verdwenen dieren duiken weer op, terwijl de resten van de mens (huizen en andere bouwwerken) langzaam maar zeker vervallen. Als de mens er niet meer was, zou dit misschien op de hele aarde gebeuren.

Ook richt Weisman zich op het leven vóór de komst van de mens. Vandaar de aandacht voor Afrika, “onze meest complete voorraadschuur van levend genetisch erfgoed,” aldus Weisman. Allerlei planten en dieren die nu door de mens naar het leven worden gestaan, zouden zich wellicht weer onbekommerd kunnen verbreiden. Toch zou het niet zonder meer een herstel zijn van de prehumane wereld, de mens heeft immers ook het nodige toegevoegd dat niet meteen zal verdwijnen. Wat precies? Het antwoord op deze vraag zal bij velen het meest tot de verbeelding spreken. Weinig interesseert ons immers meer dan onszelf. Het antwoord pakt tamelijk verrassend uit, zij het niet steeds even rooskleurig, want terwijl huizen en steden onherroepelijk tot stof vergaan (duurzamer is alles wat we onder de grond hebben gebouwd, zoals metro’s en tunnels), blijken onze meest hardnekkige sporen onder meer te bestaan uit de gigantische hoeveelheden plastic en rubber (oude autobanden) die we in de natuur hebben gedumpt. Ook van het radioactieve afval van onze kerncentrales, de chemische resten van kunstmest en de cfk’s die de atmosfeer aantasten, is de aarde nog niet zo gauw af. Van de producten waarop we het meest trots zijn, onze kunstwerken, hebben alleen sculpturen van brons en edelmetalen een kans om te overleven, en niet te vergeten alle keramiek. Schilderijen en boeken, net als muziek en film, zijn waarschijnlijk niet bestand tegen het natuurlijke bederf. Maar, voorspelt Weisman, het meest duurzaam zullen de radiogolven zijn die we de ether hebben ingestuurd en die, net als het licht, zich zullen blijven voortzetten, ook als de aarde zelf al lang niet meer bestaat. Het is niet voor niets dat Weisman sterk de nadruk legt op de milieuvervuiling, op de verwoesting van het landschap en de vernietiging van dieren plantensoorten. Dit boek is geschreven om ons de les te lezen, vanwege onze ‘begerigheid’ en “onze door overconsumptie gekenmerkte levensstijl”. Bij wijze van afschrikwekkend voorbeeld herinnert Weisman aan de Maya-cultuur, die door soortgelijke motieven ten onder zou zijn gegaan. Heel toepasselijk mondt De wereld zonder ons uit in een pleidooi voor vermindering van de wereldbevolking, niet door ‘vrijwilligeextinction’ (zoals blijkbaar door een club wel zeer belangeloze idealisten wordt bepleit), maar door een drastische geboortebeperking. Hoewel dat geenszins een onzinnig pleidooi is (zonder overbevolking zou veel ecologische nood vermoedelijk verdampen), haalt het wel de verrassing uit het boek. Opeens zijn we weer op bekend terrein, waar zich temidden van velen ook Nobelprijswinnaar Al Gore met zijn Inconvenient truth bevindt.

Awater

Even bekend, maar daarom nog niet terecht, is de antropomorfe kijk op de natuur, die Weisman soms parten speelt. Die kijk versterkt weliswaar het dramatisch effect van zijn betoog, maar stelt het onderwerp ervan in een vals licht. Bij het betreden van het oerbos in Oost-Europa denkt hij dat “wij bijna allemaal zijn opgegroeid in een flauwe afschaduwing van wat de natuur bedoeld heeft”. Wanneer hij het onderlopen van de New Yorkse metrogangen bespreekt, heeft hij het over deweerwraak van het water’. Over de wraak’ van de natuur op onze zelfvoldane, gemechaniseerde superioriteit’ is ook elders in het boek sprake. Hier klinkt onmiskenbaar de stem van een oeroud masochisme, maar waar haalt Weisman die kennis omtrent de bedoelingen van de natuur vandaan? En waarom zou de natuur wraak nemen op een wezen dat deel van haar uitmaakt? Of neemt de natuur wraak op zichzelf? De natuur is toch geen mens.

Het humanisme (en daarvóór het christendom) heeft ons geleerd een principieel onderscheid te maken tussen mens en natuur. Zo kon de mens – door Descartes – worden uitgeroepen tot “heer en meester van de natuur”; de ecologen die nu de mens in het beklaagdenbankje plaatsen en de natuur als slachtoffer verdedigen, denken in precies hetzelfde stramien. Maar wat de natuur al of niet bedoelt, daarvan hebben we geen idee. Het enige wat we zeker weten is dat we een onderdeel zijn van die natuur, net als de andere dieren, maar ook net als de bomen, de rivieren of de vulkanen. Weisman heeft dan ook groot gelijk als hij de menselijke beĂŻnvloeding van de atmosfeer (via de uitstoot van CO2) vergelijkt met die door een vulkaan. Helaas houdt hij zijn vergelijking in de rest van het boek niet vol. Daardoor vertroebelt hij, net als alle ecologen die de milieuvervuiling bestrijden met een beroep op de ‘aarde’ of de ‘natuur’, de ware inzet: het gaat niet om de aarde, het gaat om de mensheid. Wij mensen willen overleven en wij zijn het ook die willen dat andere soorten overleven. Die andere soorten hoor je daar nooit over. De strijd om het leefmilieu is een strijd van mensen onderling, een normaal machtsconflict, niet tegen of voor maar binnen de natuur – waaraan pas een eind zal komen, als Weismans creatief experiment’ ooit werkelijkheid wordt.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad (9-11-2007) en op Arnold Heumakers