Vrijdag, 2 augustus, 2019

Geschreven door: Hart, Kees 't
Artikel door: Verplancke, Marnix

De ziekte van Weimar

Een taboe op de totem

Kees ’t Hart schreef een vernuftige historische roman over grootheidswaanzin en idolatrie. “Sei ruhig,” geeft Goethe, de man waarom alles draait, ons de raad, “Ich bitte dir, sei ruhig.”

{Recensie] In 1807 besliste het bestuur van de Academie van het Friese Franeker, na die van Leiden de tweede oudste universiteit van Nederland, dat er dringend iets gedaan moest worden aan het imago van de instelling. Professoren en studenten vertrokken massaal richting Groningen en dat wou men een halt toeroepen door een ambitieus monument op te richten, een kopie van een beeld dat voor het tuinhuisje van Goethe stond, in het park van Weimar. Alleen moest het veel groter en duurder dan in Duitsland, want wie inzet, kan maar beter groot inzetten.

Zo begint de nieuwe roman van Kees ’t Hart. Het monument is voor het jaar 1807 waarin De ziekte van Weimar speelt vrij gewaagd. Geen Pallas Athena of Vrouwe Justitia, maar wel een kubus met een bol er bovenop, en zonder inscriptie of toewijding, want die zouden alleen maar afleiden van de essentie. En die is niet minnetjes, want in die sculptuur komt zowat alles samen.

“Het is man en vrouw, aarde en hemel, mens en dier, wetenschap en maatschappij en theorie en praktijk,”

Wandelmagazine

zoals een van de bestuurders het uitdrukt, waarna Albert, assistent van de pedel en dans- en schaakmeester, er samenvattend aan toevoegt: “Het is het Ding an sich.”

Maar voor Albert is het nog veel meer, want de jongeman is niet geschikt voor de paring, zoals hij het zelf zegt, omdat “zijn sap weggegooid wordt nog voor de appels rijp zijn.” Hij kan geen kus krijgen van een mooie vrouw of het wordt hem even wazig voor de ogen en hij zit met een natte broek. Ejaculatio praecox dus. Hij ziet altijd en overal seks. Dat de zoon van de pedel geen schaakbrein heeft en een rare fascinatie koestert voor Napoleon wijt hij bijvoorbeeld aan onanie. Nog even en de jongen heeft zich kreupel getrokken, is hij van mening. En nu we het toch over Napoleon hebben, volgens Albert gaat ook diens kanon af lang voor de vijand de juiste stelling heeft ingenomen, een euvel dat ongetwijfeld ook Goethe niet ongemoeid laat, want waar draait Het lijden van de jonge Werther anders om?  Wanneer er een delegatie uitgestuurd wordt om Goethe te vragen of er een kopie van zijn totem gemaakt mag worden, zoals Albert het kunstwerk ook wel noemt nadat er een indianenshow neergestreken is in Franeker, maakt de schaakkampioen dat hij van de partij is. Hoe pakt die grote geest dat lichamelijk ongemak aan, wil hij hem vragen.

Zoals in menig van zijn vorige boeken betoont Kees ’t Hart zich ook hier weer een meester van de diepzinnige komische roman. Hij houdt je een spiegel voor en laat je lachen met je eigen verwaandheid en onvermogen tot relativeren. Wanneer Albert na een al te lange reis uiteindelijk Goethe treft, heeft die immers maar een boodschap voor Franeker, dat grote poëzie geen monumenten behoeft, maar stilte.

Centrale zin: “Voor grote poëzie zijn geen monumenten nodig.”

Eerder verschenen op Knack Focus

1 reactie op “De ziekte van Weimar

  1. Kees ’t Hart. De ziekte van Weimar
    Het boek lag in de plaatselijke openbare bibliotheek en ik heb het met een onderbreking van een paar dagen in een week gelezen. Ik heb genoten van de gesprekken voor de reis, tijdens de reis en het verblijf in Weimar. Het boek sprak me aan omdat wij. mijn vrouw en ik, een paar jaar terug per fiets vanuit Munster, steden als Weimar en Jena hebben bezocht. Of je met een koets in die tijd in twee dagen van Franeker naar Zwolle kunt rijden betwijfel ik. De afstand is nu per auto ongeveer 110 km. Op de fiets met bepakking, compleet met kampeeruitrusting, hebben we een gemiddelde van 20 km. per uur. De wegen waren toen heel anders, met veel meer bochten erin en er zullen ook wel onverharde wegen tussen zitten. Een koets met paarden gaat stapvoets 5 km per uur en een stevige draf gaat zo’n 10 km per uur. Per dag is 50 -60 km echt de maximale afstand. Van Zwolle naar Munster in vijf dagen, dat zou met de koets krap gaan.
    Voor het gemak deel ik het boek in vier delen:
    1. De aanleiding – en voorbereiding van de reis. Blz. 9 t/m214.
    2. De reis naar Weimar. Blz. 215 t/m 282.
    3. De aankomst – en het verblijf in Weimar. Blz. 283-410
    4. Het vertrek uit Weimar. Blz. 411 en 412.
    De titel van het boek roept de vraag op:” Wat was of is de ziekte van Weimar?” Is de ziekte van Weimar het dualisme tussen verbeelding en werkelijkheid of het dualisme tussen lichaam en geest? Gaat het over verblinding, het nalopen van op macht beluste leiders? Is deze “ziekte” besmettelijk? Volgens een van de figuren uit het boek zou deze Franse ziekte ook in Franeker zijn verspreidt. (blz. 133.) Ik heb genoten van de hooggestemde verwachtingen, de niet realistische plannen om een replica te maken van het kunstwerk. Tijdens de voorbereiding spreekt Eisinga over de klassieke kracht van het ontwerp, de kubus en de bol. Het beeld zou in twee jaar voltooid kunnen zijn en door de koning tussen 1808 en 1809 worden onthuld. Een kubus met bol, zo groot als een kleine kerk. Zodat het vanaf Leeuwarden of verder zichtbaar zou zijn. Een wegkwijnende universiteit in Franeker is daarmee niet te redden. De documenten voor opheffing van de universiteit waren al beschikbaar. Als lezer maakt u kennis met bijvoorbeeld de menskunde uit die tijd, met gedichten van Goethe en verheven bespiegelingen over “Das Ding an Sich”. Onderweg zijn is een heel avontuur. Regelmatig moeten er paarden worden gewisseld en soms zijn er lifters. Overnachtingen in goedkopere herbergen. Onderweg werd hun koets opgeëist en gaat de groep uiteen. Albert besluit om naar Warburg te lopen om daar een koets te huren bij de wisselplaats waar ze voorbij zijn gekomen. Vanaf Munster blijkt de reis op een grote teleurstelling uit te lopen. Het verblijf in Weimar blijkt het complete teleurstelling. De stad Weimar valt tegen, Goethe valt tegen en het kunstwerk valt tegen. De hoofdpersoon wordt doodziek in Weimar. De beschrijving van het vertrek uit Weimar is voor mij als lezer een teleurstelling. Is dit alles? Heeft Kees ’t Hart het zo opgeschreven om mij als lezer dit te laten ervaren of kwam hij er niet uit? Nadat ik wat onbekende details had uitgezocht heb ik het boek grotendeels opnieuw met plezier gelezen. Het is aan de lezer overgelaten wat de ziekte van Weimar is. Zelfoverschatting, hoogmoed, geen besef van de werkelijkheid? Of dit alles bij elkaar?

    Een lezer uit Meppel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *