Vrijdag, 16 augustus, 2019

Geschreven door: Beijnum, Kees van
Artikel door: Heumakers, Arnold

Dichter op de zeedijk

Er gaat een verhalenbundel schuil in deze roman

[Recensie] Volgens de achterflap is Dichter op de Zeedijk, de tweede roman van Kees van Beijnum, een ‘semi-autobiografische roman’. De schrijver heeft zijn eigen leven tot uitgangspunt genomen, maar hij voelt zich niet gebonden door de feiten, die naar believen worden bijgekleurd, vervormd of weggelaten. Uiteraard gebeurt dit ook in een ‘echte’ autobiografie; geen enkel leven op papier valt samen met het leven, zoals het in werkelijkheid is geweest. Het verschil zit ‘m in de intentie. Van de autobiograaf mag verwacht worden dat hij althans zijn best heeft gedaan zijn herinneringen zo nauwgezet mogelijk weer te geven; de schrijver van een ‘semi-autobiografie’ geeft zichzelf een vrijbrief om met die herinneringen ook nog iets anders te doen.

Wat precies? Dat verschilt van schrijver tot schrijver. Bij Adriaan van Dis (Indische duinen) gaat het om een zelfonderzoek, bij Nicolaas Matsier (Gesloten huis) om een zelfonthulling, bij Charlotte Mutsaers (Rachels rokje) om een zoeken naar verlossing van schuld, bij A.F.Th. van der Heijden (De tandeloze tijd) om een esthetisering van het verleden. Van Beijnums intenties komen nog het meest in de buurt van die van Van der Heijden. Ook hij esthetiseert het verleden, maakt het mooier (niet beter) dan het is geweest.

Tegelijkertijd lijkt hij erop uit te zijn in het verleden de oorsprong terug te vinden van de esthetiserende blik, waarmee hij datzelfde verleden in zijn roman beziet. De schrijver van nu probeert zichzelf te herkennen in het jongetje dat hij ooit is geweest. Het boek is een reconstructie door de verbeelding, waarin het verleden wordt aangepast aan het heden, ook al valt het voor de lezer niet uit te maken in hoeverre er daadwerkelijk van aanpassing, dat wil zeggen: vervorming, sprake is geweest. De lezer heeft alleen de roman tot zijn beschikking.

Op de roman, op de tekst, komt het dus aan, niet op de betrouwbaarheid van het autobiografische materiaal. De schrijver heeft een nieuwe werkelijkheid gecreëerd, die op eigen kracht moet zien te overtuigen. Bij Van Beijnum lijkt mij dat laatste maar gedeeltelijk gelukt, en dat komt doordat de reconstructie zich soms te nadrukkelijk naar de voorgrond dringt. De roman heeft er een hybridisch karakter door gekregen, waarin het perspectief van het kind en dat van de volwassen schrijver op een ongemakkelijke manier door elkaar lopen.

Bazarow

Aan het materiaal ligt het niet. Dat biedt alle mogelijkheden, en die worden ook zeker benut. Men krijgt in Dichter op de Zeedijk een mooi beeld van een jeugd in de Amsterdamse warme buurt, waar de grootmoeder van Constant Wegman een cafĂ©Ì annex hotel drijft van dubieuze reputatie. Op fragmentarische wijze schetst Van Beijnum een rauwe, maar ook pittoreske wereld vol hoeren, pooiers en verlopen stamgasten, met als onbetwist middelpunt de volumineuze grootmoeder die, gok- en dranklustig, haar kleine universum met straffe hand regeert.

De ‘dichter’ in het geheel is haar kleinzoon Constant, een jongen van om en nabij de twaalf jaar, zonder vader en met een moeder die in een inrichting verblijft (en daar op zeker moment zelfmoord pleegt). Een gevoelig, in zichzelf gekeerd kind, dat soelaas zoekt bij substituut-ouders als de oude winkelier Ben-van-het-deurtje, de dichter Vondel die hem ’s nachts als een geest verschijnt en aan wie hij zijn eerste gedichten (plus een vroeg vers van Hans Verhagen) voorleest, en de aantrekkelijke buffetjuffrouw Muis uit het Westfriese Opwoudt op wie het hele cafĂ© (inclusief de jonge Oedipus Constant) hopeloos verliefd wordt.

Vooral het portret van de grootmoeder, een subtiele mengeling van tirannieke bekrompenheid en beschermende liefde, en de verwikkelingen rond de begeerde buffetjuffrouw zijn zeer geslaagd. Minder geldt dat voor Van Beijnums pogingen de binnenwereld van de jonge ‘dichter’ gestalte te geven. Daar wint de reconstructie, met alle wijsheid achteraf die daarbij hoort, het te vaak van het verhaal.

Dat Constant Wegman (een symbolische naam in dit verband) zich ontwikkelt tot een voorlijk estheetje van het beschouwelijke type, is op zichzelf niet vreemd; het is zijn manier om in de warboel van zijn bestaan overeind te blijven. Van de oude Ben heeft hij het advies gekregen: “Je kunt de mensen niet begrijpen. Je kunt alleen naar ze kijken en luisteren, onthouden wat je gehoord en gezien hebt.” En dat advies wordt door hem gretig in praktijk gebracht, wanneer hij van onder het biljart de stamgasten van zijn grootmoeders cafĂ© gadeslaat (“een groot, drinkend, grommend en rokend wezen met tientallen koppen en handen die hun best deden de dorst van het monster te lesse”) of wanneer hij onaangedaan het “straaltje bloed” volgt dat van het gezicht van een door de cafĂ© eruit gemepte man in de goot lekt.

Hiertegenover staat de positieve ervaring van schoonheid en betovering die het turen naar de nieuwe jukebox hem bezorgt en die hem vooral deelachtig wordt wanneer hij op zijn favoriete plek bij de brug (zijn “eiland van geluk”) de zon in het water ziet schijnen. Op zulke tijdloze momenten is het cafĂ© ver weg en wordt duidelijk dat deze Constant – overigens zonder enig omzien in wrok – zijn eigen gang zal gaan.

Minder overtuigend wordt dit estheticisme, zodra Van Beijnum zijn jonge hoofdpersoon er ook nog allerlei meer of minder diepzinnige dingen bij laat denken. Bijvoorbeeld over het ‘mysterie’ (van de tijd) waarvan de oplossing hem telkens weer ontglipt of over het ideaal van de ‘onzichtbaarheid,’ dat hem zowel onkwetsbaar als Ă©Ă©n met de dingen moet maken. Het is dan de schrijver die met iets te veel uitleg en met een te volwassen – vaak ook abstract – taalgebruik de zo zorgvuldig opgebouwde illusie verstoort, zonder dat ik de indruk krijg dat dit de bedoeling is geweest.

Dichter op de Zeedijk heeft last van een gebrek aan naĂŻviteit, wat in dit geval hetzelfde is als een gebrek aan literair raffinement. Van Beijnum legt het er te dik bovenop, zoals ook blijkt uit de nogal flauwe geestesverschijning van Vondel en uit de ongewone belangstelling van Constant voor Vermeers bekende schilderij van de lezende vrouw in het blauw. De fantasie van de jongen dat hij in die bollende buik zit en dat de brief afkomstig is van zijn zeevarende papa, vind ik niet zozeer schrijnend of ontroerend als wel bedacht.

Ondanks de betere passages, waarin Constants esthetische blik simpelweg aan het werk is en niet wordt geduid en waarin niet al te opzichtig verbanden worden gelegd, blijft het geheel onbevredigend. Maar gelet op de losse structuur zou je natuurlijk ook kunnen zeggen dat in deze roman een heel behoorlijke verhalenbundel schuilgaat. Jammer is alleen dat de schrijver het aan de lezer heeft overgelaten om die eruit te halen.

Eerder verschenen in De Volkskrant en op Arnold Heumakers