Zondag, 12 januari, 2020

Geschreven door: Bos, René ten
Artikel door: Leegsma, Mark

Extinctie

Het einde

De tijdingen van biologen liegen er niet om: de frequentie waarmee diersoorten uitsterven is de laatste decennia drastisch toegenomen en ook de extinctie van de menselijke soort dient zich aan als realistisch doemscenario. Toch lijken dergelijke feiten en voorspellingen ons nauwelijks te raken. René ten Bos benut nog één maal het podium dat het Denkerschap des Vaderlands hem biedt om het problematische kluwen rondom Extinctie te ontwikkelen.

[Recensie] Hoe ga je om met een probleem dat niet in een kader van doelmatigheid (Kant: Zweckmäßigkeit) te vangen en daarom niet zomaar op te lossen valt? En welke wellicht goede redenen heeft ‘het volk’ om nauwelijks onder de indruk te zijn van wetenschappelijke feiten en voorspellingen, laat staan van de intellectuele elite die er de spreekbuis van is? Deze vragen vormen de leidraad van respectievelijk Dwalen in het antropoceen (2017) en Het volk in de grot (2018) van de sinds kort afgezwaaid Denker des Vaderlands René ten Bos. Op het eerste gezicht staan de twee boeken los van elkaar. Waar Dwalen een ‘ecosofische’ verkenning van de warrige (wan)verhouding tussen mens en natuur beoogt, balt Het volk epistemologie en politieke filosofie samen in een bespiegeling op ‘alternatieve feiten’ en ‘post-waarheid’.

Maar twee losse eindjes zijn het niet, zo blijkt in Extinctie, het slotakkoord van twee jaar Denkerschap. Daarin knoopt Ten Bos ze aan elkaar door de vraag te stellen waarom wij niet echt lijken te worden geraakt door de alarmerende tijdingen van klimaatwetenschappers en biologen, die ons niet alleen laten zien dat diersoorten in een alsmaar moordender tempo uitsterven, maar ons ook confronteren met het zogezegd ‘speculatieve feit’ van de extinctie van onze soort zelf.

Pessimisme

Wandelmagazine

Dat uitgangspunt lijkt zo pessimistisch als de donkergrijze boekcover wil uitstralen, en het is waar: pessimisme speelt een hoofdrol in Extinctie, maar niet zonder dat er een flinke draai aan wordt gegeven. Zoals Ten Bos opmerkt, is pessimisme namelijk geen logisch consistente filosofische positie. De echte pessimist streeft zulke consistentie ook helemaal niet na. Eerder offert hij willens en wetens de logica met haar heldere onderscheiden op, aldus Ten Bos, om een glimp op te vangen van de superieure maar brute werkelijkheid ‘an sich’, die zich naar verluidt aan de andere kant van de drempel van het denken bevindt. In deze zin staat het moderne pessimisme van denkers als Schopenhauer, Nietzsche en Cioran in de traditie van de negatieve theologie, een lijn waar met name de Amerikaan Eugene Thacker vandaag gretig gebruik van maakt, bijvoorbeeld in zijn trilogie Horror of Philosophy. Niet voor niets is deze Thacker een dankbare gesprekspartner in Extinctie.

Hier zit wel een addertje onder het gras. De intellectuele kamikaze waar de pessimist zich volgens Ten Bos van bedient zou niet mogelijk zijn zonder het dualisme van geest en werkelijkheid of van vorm en materie. Daarvan getuigt de wijze waarop de pessimist zich toegang tot de werkelijkheid verschaft, namelijk door de ontkenning of opheffing van het vermeende tegendeel daarvan, het denken. Maar vertrouwt deze strategie dan niet even veel op het dualistische uitgangspunt als ze het zegt te doorbreken? Dit is een performatieve paradox die misschien onvermijdelijk deel uitmaakt van de logische inconsistentie die pessimisme typeert. Het vreemde is dat Ten Bos, anders toch een paradoxaal denker pur sang, dit in Extinctie niet nadrukkelijk opmerkt. Vond hij dat hij met zijn opmerking over logische inconsistentie genoeg had gezegd? Of heeft hij hier een steek laten vallen?

Zone

Hoe het ook zij, voor Ten Bos is pessimisme niet uitsluitend een synoniem voor azijnpissen, zwartkijken en doemdenken, en net zo min voor de enorme lol die hij er vaak om heeft. Pessimisme is filosofisch van belang omdat het ons leert dat een ‘waar probleem’ is als de Zone uit Stalker, de visionaire film van de Russische cineast Andrej Tarkovski waar Ten Bos vaker naar verwijst. In die Zone zijn de dingen bij gebrek aan helder onderscheiden vormen vreemd, terwijl en omdat ze in en aan elkaar zitten. Sterker nog, ze zijn des te vreemder omdat ze in en aan ons zitten. Wij hebben geen greep op de dingen, want als wij iets doen, doen zij iets terug, en vice versa. Gebrek aan afstand, logica en doelmatigheid – kortom: intransparantie – is het kenmerk van deze plakkerige Zone. Dat is tenslotte wat een probleem zo problematisch maakt.

Het is daarom verre van Ten Bos om te doen alsof er een oplossing voor het ‘extinctieprobleem’ klaar ligt die als een loper alleen nog maar uitgerold hoeft te worden. Veeleer wil hij de ingewikkeldheid van het probleem ontwikkelen. Zo valt het boek om te beginnen al uiteen in twee delen: een over de extinctie van dieren, en een over de extinctie van ‘dat andere dier’, de mens. Vervolgens laat Ten Bos in nevenschikking verschillende aspecten van het probleem de revue passeren. Zo komt bijvoorbeeld het shifting baseline syndrome voorbij als psychologische verklaring voor het gegeven dat het verdwijnen van diersoorten ons niet opvalt. Ook behandeld worden het bureaucratisch managen van extinctie (of de illusie daarvan) middels officiële diersoortenlijstjes in verschillende graden van ‘met uitsterven bedreigd’ en de transcendentaalfilosofische kwestie dat ons einde, hetzij dat van het individu, hetzij dat van onze soort, geen mogelijke ervaring is. Dit is geen uitputtende opsomming, wel een indicatie dat er in de Zone niet één formulering is waaraan alle andere ondergeschikt zouden zijn. Ermee leren omgaan dat we niet het befaamde helikopterzicht hebben is wat het betekent om het probleem serieus te nemen. Willen we ons erin redden, laat staan eruit, dan zullen we moeten dwalen.

Intimiteit

In dit opzicht volgt Extinctie trouw het recept van Dwalen in het antropoceen, dat misschien wel het grondplan van heel Ten Bos’ oeuvre vormt. Toch is er van ordinaire herhaling geen sprake. Want waar Dwalen nog tamelijk ironisch overkomt, wordt Extinctie naar het einde toe verbeten, met een rauw randje wanhoop. De vraag die Ten Bos stelt is immers waarom de in volle gang zijnde massa- extinctie ons nauwelijks raakt. Zijn wij nou zulke ondieren en derhalve terecht verbannen naar de ‘plee van het universum’ genaamd aarde, zoals Kants satirische suggestie die Ten Bos graag aanhaalt doet vermoeden? Als antwoord keert Ten Bos de intransparantie die de Zone kenmerkt binnenstebuiten. Dat de dingen in en aan elkaar zitten – en ook in en aan ons – levert een vreemde nabijheid of nabije vreemdheid op. Die kan aanvankelijk verschijnen als gebrek (aan afstand, logica, enzovoorts), maar als we dat negatieve uitgangspunt tussen haakjes zetten, kunnen we met even veel recht zeggen dat het in de Zone gaat om iets wat eigen is zonder dat het zich toe laat eigenen. Het draait in één woord om intimiteit, aldus Ten Bos.

Daarop stelt hij met Giorgio Agamben en Walter Benjamin als gidsen vast dat er geen grotere bedreiging voor intimiteit bestaat dan eigendom. Wanneer we het lichaam van een geliefde in bezit nemen, is het met de intimiteit gauw gedaan. Alleen, intimiteit als voorrecht van geliefden zien is te beperkt. Volgens Ten Bos staan we ook met andere mensen, dieren en zelfs landschappen in een relatie van intimiteit. Behalve dan dat dit in een praktijk van ver gevorderde vermarkting, waarin het tot eigendom maken van privacy (sociale media), dieren (bio-industrie) en landschappen (toerisme) de norm is, schier onvoorstelbaar is geworden. Als de vernietiging van intimiteit zo structureel en grootschalig plaatsvindt, wil Ten Bos zeggen, is het niet gek dat het verdwijnen van diersoorten en landschappen ons koud laat.

Kleur

Dat is ronduit treurig. Zou Ten Bos hebben gedacht dat ‘wie niets meer voelt/ moet maar weer eens horen’ (Lucebert)? De vernietiging van intimiteit die Ten Bos oproept weet in ieder geval wél te raken, precies ‘omdat het ons in onze intimiteit raakt’. Dat lijkt een Cruijffiaanse waarheid, maar als we het om die reden als nietszeggend afdoen, vallen we slechts terug op de gedachte dat we werkelijk afstand hebben tot de dingen, terwijl Ten Bos’ hele betoog ernaartoe werkt die illusie te ontmaskeren. Er is intimiteit, zelfs als die wordt vernietigd. Denk maar aan een gebroken hart.

Dat brengt ons bij het venijn in de staart van het boek. Van Benjamin leert Ten Bos dat eigendom door de vernietiging van intimiteit het universele onrecht vormt; universeel, omdat alle lichamen, landschappen en leven in de omschreven zin intiem zijn. We horen erin thuis zonder dat ze van ons zijn, en al helemaal niet van enkelen van ons. In dat geval kan er over de hoek waarin rechtvaardigheid gezocht moet worden geen misverstand bestaan: de oorlog die onze samenleving tegen de intimiteit van lichamen, landschappen en leven voert moet ophouden. Want als die oorlog voortduurt, moet dat wel leiden tot extinctie.

Daarmee bekent Ten Bos kleur, en het is niet het donkergrijs van de omslag. Niet dat door dit teken van engagement alle ironische en paradoxale veren in één klap zijn afgeschud – gelukkig niet. Maar het laat wel zien dat Extinctie, behalve een waardig slot van de ‘Denkerschapstrilogie’, ook een nieuwe oprechtheid te bieden heeft waar het gaat om het doordenken van ons gebrek aan afstand van de milieuproblemen die ons met het doemscenario van extinctie confronteren. De oprechtheid zit hem vooral in de stap naar intimiteit als de andere kant van die munt. Zo raakt Extinctie een gevoelige snaar waarmee het zich onderscheidt van zijn voorgangers en wellicht een heel nieuwe fase van Ten Bos’ denken inluidt. Maar goed, praten over fases is voor voetbalanalisten.

Laten we het daarom op het volgende houden. René ten Bos brengt met Extinctie een dringend probleem in kaart en betoogt waarom het ons probleem is, terwijl hij zelf nooit opdringerig wordt, altijd toegankelijk blijft, en toch geen water bij de filosofische wijn doet. Dat is goed, mooi, knap en derhalve een lust om te lezen. Als we ons dan van een laatste ironische knipoog mogen bedienen: Extinctie, da’s het einde.

Eerder verschenen in iFilosofie
Geïnteresseerd in de recensent, Mark Leegsma? Zie Anti-abstractie

Lees eveneens de recensie geschreven door Arnold Heumakers: de aarde kan best zonder de mensheid