Zaterdag, 26 oktober, 2013

Geschreven door: Leeuwen, Joke van
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Feest van het begin

Het einde is het begin van het feest

Het begin is een feest, is het begin een feest? De titel van Joke van Leeuwens voor de AKO Literatuurprijs genomineerde roman Feest van het begin roept vragen op, en dat is, lijkt me, precies zo bedoeld. In haar roman rond de Franse Revolutie ziet een handvol ‘beginners’ de wereld veranderen, maar tegenover de vele hergeboortes plaatst Van Leeuwen sterfgevallen en een toenemende dreiging. Dat redt dit wat onbestemde boek.

[N.B. lees op Athenaeum.nl een leesfragment uit dit boek. Als u het aanschaft via deze link, steunt u Recensieweb.]

Laat ik met die kritiek beginnen. Feest van het begin opent met een Proloog die de bestorming van de Bastille beschrijft. Alleen: de Bastille wordt niet genoemd. Wel worden enkele mensen omschreven, onder wie een vondelinge, een schilder, een instrumentmaker, een beul, die de hoofdpersonen zullen blijken te zijn, en een aantal groepen, vrouwen, demonstranten, geestelijken – niemand wordt bij naam genoemd, zodat de historische beschrijving iets van een sprookje, een parabel krijgt. Neem de Zonnekoning zelf:

‘De man rouwt met zijn vrouw om hun aan de tering gestorven kleine troonopvolger, uitgemergeld begraven voor een bedrag dat tienduizenden broden waard is. Nu zit hun woning nog wijder om hen heen en nooit zijn ze er alleen.’

Wordt Vervolgd

Waarom niet Louis XVI bij naam genoemd? Of Versailles? Doordat Van Leeuwen lang vermijdt namen en plaatsen (dit is Parijs, maar in het boek staat dat niet) te noemen, blijft veel in het vage, en kom je niet in een concrete wereld terecht – ondanks de detailrijke zinnen.

Informatievolle zinnen

Want dat is mijn andere punt van kritiek: bijna elke zin moet in deze roman méér zeggen. Die troonopvolger is aan de tering gestorven, uitgemergeld begraven én voor een bedrag dat tienduizenden broden waard is. Allemaal relevante informatie voor de politieke situatie, maar het is wat veel voor een zin. En die zin erop is eigenlijk te mooi, te dichterlijk voor de pijn en de rouw. Dichterlijk in de woordkeus, en toch kleurloos. Vlak. Dat houdt de actie op, er wordt een halve zin te lang geen verhaal verteld. Neem ook deze zin:

‘De regen gutst langs de strenge gevels van een hospice voor wezen in een van de faubourgs, waar al vijftien jaar tussen andere kinderen met verloren ouders een vondelinge woont die op haar handen kan staan.’

Strenge gevels, hoe zien die eruit? En verloren ouders? En wat moeten we met die informatie over het op haar handen staan?

Mensen om van te houden

Tegelijk, en daar kantelt mijn waardering voor dit boek ten goede, is die vondelinge een prachtig personage. Die acrobatiek staat symbool voor haar kinderlijke openheid, een karaktertrek die ze deelt met bijna alle andere personages, een opgewekte nieuwsgierigheid ondanks alle leed:

‘Terwijl ze zo hardop aan het lezen is, knikt Berthe instemmend of geeft ze haar mening en vraagt ze Catho om een mening, en Catho zegt dat ze te weinig weet om een mening te hebben, maar dat ze zo blij is nu meer te weten over hoe anderen denken die zoveel denken dat ze er een dik boek mee kunnen vullen, zodat ze naar hun eigen gedachten kunnen kijken en de woorden ervan lezen en kunnen denken: dit heb ik allemaal gedacht, maar dat ze eigenlijk ook vindt dat ze zelf niet te diep moet denken, want dan val je misschien in je eigen gedachten en is het moeilijk er weer uit te kruipen, en Berthe zegt dat ze al in verschillende gedachteputten is gekropen in de veronderstelling dat daar het ware licht brandde, en dan brandde het daar toch niet, ze zegt dat het ook niet in het hospice brandt, ze had gehoopt dat de oudere nonnen in een voortdurende staat van geestelijke verwachting leefden, maar heeft de indruk dat ze niets meer echt verwachten, dat ze meer bezig zijn met de vraag of de dingen op de juiste schappen staan.’

De vondelinge, die zich op dit moment in het verhaal Catho laat noemen (in contrast met de Proloog), en zuster Berthe denken en praten en twijfelen uiterst verfrissend – als je favoriete personage in een kinderboek. Zij, maar ook de schilder en de instrumentmaker en zelfs de beul, staan in deze nieuwe politieke situatie allemaal voor een nieuw begin. Ze blijven allemaal wat vlak en onomlijnd, maar daardoor niettemin niet onsympathiek.

Feest?

En dat ís een feest. Ze zien het begin zich voltrekken en genieten ervan dat er wat gebeurt. Maar het begin is niet altijd even feestelijk. Een van de personages die we in de proloog leerden kennen krijgt een verdwaalde kogel door het hoofd, een ander stikt in een vissengraat, weer een ander verliest zijn zuigeling, en verkrachtingen – door Van Leeuwen aseksueel met de term ‘penetratie’ afgedaan – zijn eerder regel dan uitzondering.

De roman krijgt dan ook gewicht op het moment dat de beul, inmiddels bevriend geraakt met de Duitse instrumentmaker, zijn functie bekendmaakt, en met schetsen voor de latere guillotine komt. Kun jij dit verbeteren, vraagt hij? En de jonge pianofortebouwer, die niets anders wilde dan muziek maken, bouwt een moordwapen. Catho en Berthe, inmiddels op de laagste sporten van de maatschappelijke ladder, zijn weer – nu onder een andere naam – naar elkaar op zoek, terwijl de grootste gruwelen moeten nog beginnen.

Daar heeft Van Leeuwen je eindelijk te pakken, na vele zinnen vol grapjes, maatschappijkritiek, beschrijvingen van lief en leed. En daar laat ze je los. In het laatste deel van de roman wordt Feest van het begin een grote literaire prijs waard. Maar volstaat dat?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *