Vrijdag, 18 december, 2020

Geschreven door: Azaizeh, Asmaa
Artikel door: Geerlings, Dietske

Geloof me niet als ik vertel over de oorlog

Wat zou ik dan geloven?

[Recensie] Als je poëzie leest, bevind je je in een landschap waar alles mogelijk is binnen de letters, de woorden, de zinnen en witregels die je krijgt aangeboden. Nog meer dan bij het lezen van verhalen, zoek je je houvast bij tekens die complexe betekenissen en sferen oproepen, omdat ze lang niet altijd verwijzen naar de werkelijkheid. Woorden hebben behalve een betekenis ook een klank, die meestal een belangrijke rol speelt in de woordkeuze van de dichter. Tijdens het lezen ontstaat er een unieke chemie tussen klank, rust, betekenis en raadsels, die kenmerkend zijn voor een bepaalde dichter. Wellicht hoort zelfs de lezer in dit rijtje thuis, omdat deze degene is die met de aangeboden stenen een bouwwerk tot stand brengt, die toch zeker ook afhankelijk is van de kennis en associaties van deze lezer. Dat betekent dat elk gedicht met elke nieuwe lezer een unieke ‘chemie’ aangaat.

Hoe zit dat eigenlijk bij vertaalde poëzie? Daar is de chemie problematisch, omdat er een vertaler tussen zit. Als je als lezer op zoek gaat naar de essentie van een vertaald gedicht, mis je allereerst de klanken, de letters, de tekens van het oorspronkelijke gedicht. Wat ben je dan nog aan het lezen? In feite de chemie die tussen de vertaler en het oorspronkelijke gedicht is ontstaan. Je bent een in nieuwe woorden gevatte lezing van een gedicht aan het lezen. Zie het als het kijken door een gebrandschilderd raam: de vage contouren van de figuur erachter zijn nog zichtbaar, maar je ziet vooral het raam. Als het raam mooi is, is het een genot om naar het raam zelf te kijken en vervolgens alleen naar die mysterieuze figuur erachter te raden. Ik las Geloof me niet als ik vertel over de oorlog van Asmaa Azaizeh, vertaald uit het Arabisch door Nisrine Mbarki en ik blijf wat vertwijfeld voor het raam staan, niet zeker van zijn schoonheid. Hoe komt dat?

De bundel begint met de volgende regels van het gedicht Psycho (verwijzing naar de gelijknamige film van Hitchcock): “Pas op, denk niet dat dit nu over mij gaat/het is maar een verzinsel en geen cent waard/een ondergrondse tunnel ben ik/de ladders van taal erheen zijn door vette muizen aangeknaagd/ze spinnen als gezaagde planken”. Een ‘ik’ of ‘mij’ in poëzie is altijd problematisch. Je mag deze niet gelijkstellen aan de dichter. Dat maakt de eerste regel nog problematischer en daardoor misschien ook wel humoristisch. Aan wie is deze boodschap gericht: aan een lezer die nog wel denkt dat ‘ik’ de dichter zelf is? Of is dit voor deze ‘ik’ vanzelfsprekend, en moeten we dus vooral niet denken dat dit gedicht zelfs niet over deze andere ‘ik’ gaat? Of verwijst ‘dit’ helemaal niet naar het gedicht, maar naar iets anders, wellicht naar de titel, Psycho? In deze film heeft de hoofdpersoon zelf niet door dat hij moorden pleegt, denkt dat zijn moeder dat heeft gedaan, omdat hij zelf in een psychose zit. Wat dat betreft is de toon meteen gezet: het perspectief is volkomen onbetrouwbaar, voor zover je in poëzie al echt kunt spreken van een perspectief. Het belooft weinig goeds, want verderop staat “poëzie giechelt in de tunnel/haar ogen puilen uit haar blauwe schedel zoals bij een schaap in een slachthuis”. De tweede regel van dit citaat is ook zo lang dat hij letterlijk ‘uitpuilt’ uit het gedicht. Het is een rauw begin van de bundel.

Wat volgt zijn talloze, overvolle gedichten, die uitpuilen van de beeldspraak, die niet altijd meer te herleiden is. Dat hoeft ook niet, maar het hoofd van de lezer raakt verstopt, de beelden stromen niet meer, maar blijven al over elkaar heen buitelend ergens halverwege steken. Neem:

Geschiedenis Magazine

“Mijn hart groeit als een granaatappelboom in de put/telkens als een tak breekt klim ik langs een andere omhoog naar je toe/mijn geheel breekt en ik word een nest/de vogels kijken in het water en zien het lachende gezicht van een Bosnische,/ik kijk erin en zie je gezicht.”

Als je probeert de beeldspraak te herleiden, gaat het hopeloos mis. Wat zegt het over je hart als het groeit als een granaatappelboom in de put? Als een tak (een onderdeel van het hart dus) breekt, klimt de ‘ik’ omhoog naar de ‘je’ toe, maar in hoeverre staat het hart dan los van de ‘ik’? Het kan natuurlijk dat de ‘ik’ probeert in het hart te klimmen naar de ‘je’ toe, om bij de gevoelens voor de ‘je’ te komen, maar dan breekt ‘mijn geheel’: de hele granaatappelboom, dus het hart, of de hele ‘ik’? Vervolgens wordt de ´ik´ een nest. In die gebroken granaatappelboom, of in de put? De vogels kijken in het water en zien het lachende gezicht van een Bosnische. Bevindt die zich ook in de put, of is die Bosnische dezelfde als de ‘ik’? Ook de laatste regel is dan lastig: kijkt de ‘ik’ naar het eigen gezicht of naar dat van een ander? Als je dan als lezer nog steeds die onbetrouwbare ‘ik’ van het openingsgedicht in je achterhoofd hebt, begint hier het zweet toch wel op je voorhoofd te staan, want dit was nog maar een relatief kleine strofe in een overvol gedicht dat meer dan twee bladzijdes lang is en waarin nog veel meer beelden staan dan alleen die van de granaatappelboom.

Er is weinig om aan vast te houden. Soms denk je een strohalm te vinden, zoals in

“Ik ben geen wonder/ik kan niet op water lopen en ik kan mezelf niet genezen/van de kwalen van je liefde/maar ik leerde het water van mijn hart in asfalt veranderen/telkens als ik aan je dacht/ik leerde mezelf ontsnappen aan de lava die vloeide uit de bergen van je angst/en ik leerde niet te sterven”.

In zo’n stukje zou je als lezer de ‘ik’ een beetje kunnen leren kennen: kennelijk is die ‘ik’ een gewoon mens. Het is wel sympathiek dat deze ‘ik’ zichzelf niet kan genezen van de kwalen van de liefde, dus nog steeds kan liefhebben, maar de ‘ik’ heeft het water van het hart in asfalt leren veranderen. Daar kun je je wel wat bij voorstellen: de liefde die in het hart stroomt, is van asfalt geworden, hard en tot stilstand gekomen, wellicht door de oorlog? Maar welke oorlog dan precies? Lava is gevaarlijk heet. Die lava vloeide uit de bergen van je angst. De ‘ik’ leerde ontsnappen aan die lava, wilde dus niet meegaan in die angst van de ander. En dan: “ik leerde niet te sterven”. Die zin is dubbelzinnig: de ‘ik’ leerde niet “te sterven”, of de ‘ik’ leerde “niet te sterven”? In het eerste geval lijkt het alsof de ‘ik’ dat eigenlijk wel had moeten leren, en is sterven dus eigenlijk wenselijk. In het tweede geval heeft de ‘ik’ geleerd om niet te sterven, om te overleven dus. Die tweede lezing ligt in een bundel over oorlog misschien voor de hand, ware het niet dat we ook niet moeten geloven wat de ‘ik’ over de oorlog vertelt, volgens de titel. Er wringt iets. Soms kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de vertaler de taal niet helemaal machtig is en dat de vertaling extra problemen oproept, die er in het oorspronkelijke gedicht niet waren.

Hoe langer hoe meer raak je als lezer overspoeld door lange zinnen vol beelden, die steeds meer vragen oproepen, en er komt een moment dat je murw bent en niet eens meer probeert om de beelden te begrijpen, omdat het gewoonweg niet te doen is. Bij het slotgedicht denk je ineens het antwoord te vinden. Het heet Metafoor. Krijgt de lezer dan eindelijk antwoord op de vraag wat hij met al deze beeldspraak aan moet? Eerst moet hij zich nog door heel wat ‘onzinnen’ heen worstelen, want wat moet hij denken van “onze bedelende steden zullen teleurgesteld neervallen/als een geslacht lammetje/ons verkrachten met bezemstelen/de bossen staan op zichzelf”? Kan een geslacht lammetje nog iemand verkrachten met een bezemsteel? Het is volkomen absurd en ik vraag me af hoe dit alles in het Arabisch heeft geklonken. Kan het zijn dat de ziel van deze gedichten in de klank zat? Het is echt mogelijk om lezers met klinkende onzin te overtuigen. Die poëzie bestaat echt. Deze gedichten zijn echter – in vertaling – niet bijzonder van klank.

En dan staat er:

“toen ik het medelijden van de lezer voor mijn hart probeerde te winnen/liet ik hem indrogen als een kalebas en ik loog/ik liet hem fluiten als de blaadjes van het Oude Testament en ik loog/ik veranderde hem in kokend asfalt en ik loog”…

Zo gaat het nog even door. De lezer wordt dus flink bedrogen door de ‘ik’. Inderdaad word je nogal opgefokt van deze poëzie, omdat zij alle kanten op schiet, je nergens houvast vindt en zelden iets moois. Je wordt vanzelf een beetje asfalt, het komt niet meer binnen. Dat je bedrogen zou worden, had je kunnen weten vanaf de eerste bladzijde. Sterker nog, vanaf de titel. Even verder staat: “toen ik mijn afspraken bij de psycholoog inruilde voor gratis gedichten/om te overleven//ik vulde ze met ideeën van hen die mij voorgingen/de leugens bloeiden machtig als pluimen in het bos//sorry/ben ik weer te ver gegaan?” Dan komen we toch weer bij de psychotische ‘ik’ uit het openingsgedicht. Er wordt ons een rad voor ogen gedraaid. Waarom? Is dit wellicht wat oorlog met de mens doet? Alle oorlogsbeelden zijn bizar, doelloos, zijn niet te verantwoorden. De mens wordt heen en weer geslingerd tussen leugens en walging, tot hij asfalt wordt, de liefde niet meer voelt stromen, zelf een leugenaar wordt. Is dat wat deze bundel laat voelen?

De bundel sluit af met: “hoe dan ook/het probleem is niet dat dichters leugenaars zijn/de tragedie is dat zij blind worden geloofd/…./…./als bloedbaden.” Ben ik er met open ogen ingetuind? Heb ik vergeefs geprobeerd de ‘ik’ te geloven, een glimp op te vangen van deze ‘ik’? Maar wat wordt er nu precies met bloedbaden vergeleken? Zijn de dichters als bloedbaden? Of is de tragedie (dat zij worden geloofd) als bloedbaden? Ook hier kan het probleem in de vertaling liggen. Ik blijf in onzekerheid, maar vooral toch ook een beetje met lege handen, achter: wat heb ik nu precies gelezen? Deze gedichten overtuigen mij niet, maar misschien was dat juist de bedoeling, want ik moest ze ook niet geloven.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken