Vrijdag, 1 mei, 2020

Geschreven door: Bánffy, Miklós
Artikel door: Lierop, Tea van

Geteld, geteld

Intens mooie vertelling over aristocratie, hartstocht en politiek

[Recensie] Deel twee, Te licht bevonden, van de Transsylvaanse trilogie is dit jaar (2020)  als 100e titel gepresenteerd in de Schwob-actie. Hoog tijd om te starten met het eerste deel Geteld, geteld en kennis te maken met het werk van MiklĂłs Bánffy. Als telg van een van de machtigste geslachten in TranssylvaniĂ« is hij bij uitstek geschikt het leven te schetsen in de tijd waarin hij leefde. De Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie is vanaf 1867 een feit en Hongarije bloeit op door de bevoorrechte positie die hen toebedeeld werd. De macht van de aristocratie is in de jaren voor WOI nog aanzienlijk, maar de eerste scheurtjes worden al zichtbaar wanneer andere nationaliteiten zich beginnen te roeren, ook zij willen zich manifesteren en hun taal en cultuur behouden.

Geteld, geteld is een lijvige roman met veel beschrijvende inhoud. De uitgebreide weergave van politieke situaties, familiebetrekkingen, landschappen, het (jacht)leven van de aristocratie en het liefdesleven maken het boek zo intens. De auteur geeft door deze gedetailleerdheid de lezer de tijd zich volledig in te leven in de tijd, de personages, het donkergroen van de wouden, de kleuren van de velden, de rokerige entourage in de gokhuizen en de passionele manier waarop de liefde bezongen wordt.

“Wat de zeldzame perfectie van deze tafel tot een hoogtepunt verhief, was echter niet de schoonheid van de voorwerpen, niet het porselein, het kristal of de bloemencompositie, zelfs niet de uitgelezen keur aan voedsel en wijn, maar het contrast tussen de koele, in blinde duisternis gehulde kamer en de weelderige flonkering van de tafel.LászlĂł voelde dit onmiddellijk toen hij naast een van de oude vrijsters ging zitten. De inrichting, het lichtcontrast was een triomf van mensenkennis en zinnelijkheid. Achter zijn rug was een donkere schemering, hij rilde toen hij plaatsnam. Het zwijgend bedienende personeel was onzichtbaar, alleen werd er zo nu en dan een schaal gepresenteerd die daarna meteen weer naar achteren, in het donker verdween.”

De harde werkelijkheid waarmee de niet rijken te kampen hebben contrasteert met de decadente levenswijze van de bevoorrechte klasse. Toch krijgen alle personages hun eigen beeldende beschrijvingen in Bánffys schitterende taalgebruik, elke pagina is alleen om die reden al een feest om te lezen. Het boek dwingt tot langzaam lezen, anders zou een groot deel van het verhaal en de taal verloren gaan. TranssylvaniĂ« spreekt tot de verbeelding, het is een historische streek die bekend is vanwege Dracula van Bram Stoker, een gothic horrorverhaal uit 1897. Moeiteloos zijn de verhaallijnen te volgen. De twee hoofdpersonages Bálint Abády  en LászlĂł Gyeroffy vormen het kader van het verhaal. Aan de hand van hun leven worden familiebetrekkingen verklaard, komen corrupte praktijken aan het licht, wordt duidelijk welke gevolgen verslavingen kunnen hebben en wat dat vervolgens met de directe omgeving doet. Onverschrokken laten de jongeren zich leiden door hun hartstocht en passie, laverend tussen goed en kwaad en risicovol gedrag.

Bazarow

Bálint en LászlĂł zijn verwant aan elkaar en bevriend. LászlĂł is bedachtzaam en streeft, via de politieke weg,  TranssylvaniĂ« tot eenheid te smeden en het lot van de boeren te verbeteren. Zijn neef is de verkwister, de gokker en staat model voor het verval van Hongarije. Hun verwevenheid toont aan hoe moeilijk het is een systeem om te buigen, er zijn keer op keer krachten aan het werk om het goede te saboteren. Politiek komt uitgebreid aan de orde, het wordt goed zichtbaar hoe ontevredenheid zijn weg vindt naar nationalisme. Mannen met invloed en een vlotte babbel weten lotgenoten te overtuigen en aan zich te binden.

“Hij (Bálint Abády tvl) probeerde vertier te vinden in deze debatten en in het zorgeloze nachtleven, maar hij verveelde zich bij het gekweel van de viool, de meisjes van plezier interesseerden hem maar matig, en ook het politieke debat intrigeerde hem niet echt, want hij stelde vast dat er steeds in kringetjes werd rondgelopen, steeds rondom dezelfde leuzen, zonder enig concreet plan of levensvatbaar program.”

Tegenstellingen in de politiek worden wonderschoon afgewisseld met passages over interieurs, muziek, literatuur, cultuur en folklore. Het landgoed DĂ©nestornya waar Bálints moeder, Rosa, woont heeft vele hectaren grond, maar geld heeft Rosa niet. Daarom komt het goed uit dat hij weer thuis komt wonen na zijn studie, vanuit zijn thuisbasis kan hij de politiek in en kost het haar geen toelage meer. Een inkijkje in het beheer van zo’n groot landgoed legt de gevoeligheid voor malversaties bloot. Eerst het vertrouwen winnen, daarna komt de afhankelijkheid en tenslotte het misbruik. 

Prachtig zijn de verhalen over Bálints vader en grootvader. De vader leeft niet meer, maar opa wel en nog steeds hebben die twee een prima band. Als klein jongetje kwam hij steevast voor het lekkere versgebakken roggebrood. Dit soort warme verhalen over relaties, jeugdherinneringen en de belangstelling voor techniek die opa overbracht op zijn kleinzoon geven dit boek een fijne menselijke pure laag. De bijzondere omgeving die, ondanks dat veel grond gecultiveerd is, toch ongerept aandoet, zorgt voor een geweldig decor. Het uitgestrekte van de landerijen en de soms tot ruïne vervallen gebouwen geven het landschap iets nostalgisch, een gevoel dat de auteur goed weet over te brengen. Hij kon putten uit tal van autobiografische bronnen.

De onbereikbare Adrienne is Bálints grote liefde. Al vroeg in het boek komt deze ongetemde vrouw ter sprake, ze kennen elkaar al erg lang en de aantrekkingskracht spat van de pagina’s af. Maar het is geen liefdesromannetje, deze liefde krijgt een opmerkelijk verloop, net als andere relaties in deze prachtige, krachtige roman. Op naar deel twee!

“‘Hoe kan dat? Is de gravin niet bij de mis?…’ vroeg Bálint terwijl hij zich tot Adrienne wendde. De aanblik van haar gezicht verbaasde hem. Het leek alsof er een schitterend licht door haar huid scheen – haar kin omhoog, haar grote, gele ogen wijd opengesperd. Bijna een Medusamasker, beangstigend en prachtig! Alsof een valsaardig binnenpretje haar lippen vaneen deed wijken. Zo volgde ze met haar blik het wandelende stel en antwoordde niet zolang die twee niet om de bocht waren verdwenen.”

Eerder verschenen op Metdeneusindeboeken