Vrijdag, 27 september, 2019

Geschreven door: Onbekend
Artikel door: Lierop, Tea van

Hemel en hel

April is van alle maanden het hoopvolst

“We willen over degenen vertellen die in onze dagen hebben geleefd, meer dan honderd jaar geleden, en die voor jou nauwelijks meer zijn dan namen op scheefstaande kruisen of gebarsten grafstenen.”

[Recensie] Dit soort ‘duistere’ boeken oefenen een enorme aantrekkingskracht uit. Het zijn verhalen over de eeuwenoude strijd tussen mens en natuur, over menselijke verhoudingen en over de zin van het leven. Deze elementen en de manier waarop het boek geschreven is maken dit boek wat het is: een ode aan de natuur, menselijke relaties en de kunst. Het verhaal laat zich niet zomaar vangen in een paar beschrijvingen, het is meer een aaneenrijging van overdonderende citaten waarin de essentie zich niet zozeer laat samenvatten, het is een gevoel dat je al lezend krijgt. Een gevoel van nietig zijn, een gevoel van eenzaamheid, maar vooral een gevoel van ongelooflijke bewondering voor een auteur die deze stijl een hele roman kan volhouden.
Het verhaal speelt zich af in IJsland. Een kleine dorpsgemeenschap die volledig afhankelijk is van de visvangst en de bevoorrading van andere benodigdheden, probeert zich staande te houden in de voortdurende strijd der elementen. ‘De zee geeft, de zee neemt’ is ook hier een waarheid als een koe. Je zult maar achterblijven als vrouw met een stel kinderen wanneer je man niet terugkomt van de visvangst. De lange nachten en de kou in de winter worden in april hoopvol vervangen door meer licht…
“Sommige zijn licht, andere donker, april bijvoorbeeld is een licht woord. De dagen lengen, hun licht gaat door het donker als een zwaard. Op een dag worden we wakker en de plevier is gekomen, de zon staat dichterbij, het gras komt onder de sneeuw vandaan en wordt groen, de boten worden weer te water gelaten na een lange winter op het strand te hebben geslapen en over de zee te hebben gedroomd. Het woord april is samengesteld uit licht, vogelgezang en blijde verwachtingen. April is van alle maanden het hoopvolst.”
Deze tekst doet denken en is ongetwijfeld een verwijzing naar de openingszin van een gedicht van T.S. Eliot The Waste Land (1922): “April is de wreedste maand”. Stefánsson lijkt optimistischer dan Eliot, maar dat is slechts schijn. Zonder de toon meteen als melancholiek te bestempelen, is het proza niet lichtvoetig. Het is veelal donker van toon en een opvallend verschijnsel is dat de auteur veel gebruik maakt van overdrijving, uitvergroting. Dat maakt het boek peilloos en soms inktzwart. Het fysiek en psychisch lijden wordt knap beschreven, de mensen wekken geen medelijden op, het is hun lot. Niet dat ze hun lot altijd omarmen, er wordt wel degelijk gestreden, maar het hoort bij hen. Zij die daar altijd gewoond hebben, weten niet beter. Ieder probeert het leven te leiden dat bij hem past. De Ă©Ă©n vlucht in de drank, de ander doet dat door te lezen. En wat is het dan wrang dat de liefde voor de literatuur aan Ă©Ă©n van hen het leven moest kosten.
Bardur, die nog even een dichtregel wil nalezen en inprenten, vergeet daardoor zijn jas wanneer hij aan boord gaat van het vissersschip waarop hij werkt. Het is nog nacht en ijskoud, wanneer hij met zijn vissersmaten de diepe visgronden opzoekt om kabeljauw te vangen. De strijd is snel gestreden. Tegen de kou van de IJszee en de storm kan iemand zonder beschermende kleding op.
De dichtregels die Bardur tot zich wilde nemen om ze later aan zijn vriend te citeren zijn:
Nu kwam de avond stil eraan en alles
Was door schemer met haar kostuum bedekt.
De stilte was wat restte, want vee en vogel,
De een naar zijn gras, de ander naar ’t nest,
Was aan het zicht onttrokken.
(Citaat uit Het paradijs verloren – John Milton)
De jongen, hij krijgt geen naam, is de vriend van Bardur. Wanneer hij het boek van Milton – Bardur kreeg het van een blind geworden kapitein, Milton was ook blind – terug wil brengen gaat hij letterlijk door een hel. De hellevaart leidt hem uiteindelijk naar een warme plek waar hij zich nuttig kan maken. De dood van Bardur is een kantelpunt in het boek. Gaat het in de eerste episode vooral over het vissersleven en het water, in de tweede episode gaat het over de tocht van de jongen met boek naar het dorp over land, ver weg van de zee. In het “landdeel” worden de dorpsbewoners besproken. Dit is een heel ander verhaal, het vertelt over het reilen en zeilen van de dominee, de kroeg, de neringdoenden en het contrast van zij die bezitten en zij die niet bezitten. Ee volgen mooie, schilderachtige beschrijvingen van de oude wijk waarin de huisjes dicht opeen geplakt staan en de bewoners moeite hebben het hoofd boven water te houden.
De gesprekken van de blinde kapitein Kolbein en de drankzuchtige kapitein Brynjolf zijn prachtig en tekenen een sfeer die typerend is voor het boek, vol symboliek en over hemel en hel.
“Twee bier en de wereld is niet meer slecht en vol gezever dat een fatsoenlijk mens kan irriteren. Want wij zijn fatsoenlijke mensen, jij en ik, zegt hij tegen Kolbein die met zijn raspende, haast schurende stem zegt dat fatsoen iets voor onnozele engelen is.
Ik snap niet wat je bedoelt, zegt Brynjolf met een diepe stem die de vissen in zee laat trillen als hij op het dek staat en luid bevelen geeft.
Dat had ik ook niet verwacht, raspt Kolbein.
Leg het dan ’ns uit en de duivel mag die bengel halen, volgens mij is dat namelijk zo’n onnozel geval.
Dan is de duivel niet in hem geĂŻnteresseerd, zegt Kolbein, de onnozelen krijgen namelijk engelenvleugels.
Je bent een rare, dreunt de reus, en daarom heb ik je altijd zo goed kunnen lijden.”
Deel één las ik met veel bewondering vanwege de mix van prozaïsche en poëtische stijl, de geweldige karakterbeschrijvingen en de diepte van de beschouwingen, op naar deel twee!
Eerder verschenen op metdeneusindeboeken.nl