Maandag, 14 juli, 2008

Geschreven door: Winter, Leon de
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Het recht op terugkeer

Deze hoop is niet geloofwaardig

2024. Israël is gekrompen tot een smal strookje land rond Tel Aviv, ontvolkt en hermetisch afgesloten met fluisterhelikopters en dna-controles op het joodse gen; in een wijk van Amsterdam is de sharia net niet ingevoerd. Maar de mens is niet veranderd: het verlies van een kind brengt hem nog steeds tot waanzin en redeloze hoop. En daar gaat Leon de Winters vuistdikke roman Het recht op terugkeer over. Het is een complex, dramatisch avontuur dat – anders dan wat we van de opiniemaker De Winter gewend zijn – uiteindelijk drijft op hoop, de hoop van een vader.

Bram Mannheim is die vader. Bram was universitair docent Geschiedenis van het Midden-Oosten, rijdt nu vrijwillig ambulance en runt het in verdwenen kinderen gespecialiseerde detectivebureau De Bank, maar in de eerste plaats is hij de vader van Bennie, die in de avond van 22 augustus 2008 verdwenen is.

‘[…] hij ging op de bank zitten en keek een moment naar de tv. Hij liet zijn blik door de keuken dwalen en miste Bennie. De jongen ontbrak in de kamer.
“Bennie!”
Hij stond op en voelde een steek door zijn borstkas, alsof er een mes in sneed: was dit het satanische moment waarvoor Rachel zou hebben gewaarschuwd als hij haar zijn dromen zou hebben verteld? En vervolgens zag hij dat de deur naar het onbewoonbare deel van het huis opnieuw openstond.’

In een moment van onoplettendheid, toen hij buiten een telefoongesprek voerde, is het kind weggelopen of ontvoerd en nooit meer gevonden. Een vaststelling die tot razernij drijft en in Brams geval tot een waanzinnig getallenfetisjisme, waarbij de twee en de acht hem leiden in zijn zoektocht; van het oosten naar het westen van de V.S. volgt hij wegen met die cijfers, alleen de 2nd en 8th streets en avenues rent hij door, ‘Einneb’ schreeuwend en de nummers onderzoekend die tweeën en achten combineren.

Archeologie Magazine

Mannheim wordt gered en opgenomen door zijn vader in Israël, waar hij na jaren weer een leven opbouwt. Een eenzaam leven, want vader Mannheim, ooit een briljant chemicus en Nobelprijswinnaar, dementeert en Bram houdt slechts hun hondje Hendrikus, zijn twee morbide werkkringen en een relatie met een prostituee over. En een veilig leven, dat geschokt wordt als bij een controlepost een eigenaardige terroristische aanslag plaatsvindt. Niet alleen had hij daar die middag nog gereden met zijn compagnon Ikki en raakt een oudstudent van hem gewond, ook de officiële berichtgeving blijkt niet te kloppen. Het lijkt er namelijk op dat iemand door de dna-controle is gekomen en toch kwaad in de zin had. Een bekeerde jood?

De Shabak, de Israëlische binnenlandse geheime dienst duikt op, en opeens, we zijn op vier-vijfde van het boek, ziet Bram een patroon. De verhalen, inclusief de tientallen bijpersonages, komen samen en een eindspurt wordt ingezet, die vanuit het dystopische Israël naar de Islamitisch-fundamentalistische staat Kazachstan en naar Amsterdam leidt. Op de puinhopen van wat we met onze wereld hebben gedaan bloeit hoop op.

Het is een hoop, of althans een gebrek aan wanhoop die al eerder in het boek sluimert wanneer Bram picknickt op het verlaten strand van Tel Aviv met zijn (inmiddels niet meer betaalde) vriendin, die ook ooit een kind verloor, op ditzelfde strand, met Brams demente vader en diens oppas, en met Ikki, bij wie de helft van zijn lichaam na een aanslag vervangen is door kunstledematen. Een bizar schouwspel, waarin alles aan verlies lijkt te herinneren, maar Brams vriendin hem toch de liefde verklaart:

‘”Blijf bij me,” fluisterde ze in zijn oor, “ook al vind je dat ik niet goed snik ben.” Hij knikte en drukte haar tegen zich aan.’

Brams reacties zijn bedaagd. Elders is hij berustend en zelfs in zijn razernij en de ultieme daad die hij pleegt berekenend, veel minder fel dan de hoofdpersonen van bijvoorbeeld God’s Gym en Hoffmans honger. Dat weloverwogene wordt nog eens versterkt door de indirecte manier van schrijven, zelfs op momenten dat actie alles is wat telt, zoals een goede anderhalve pagina na ons eerste citaat:

‘“BENNIE BENNIE BENNIE!!!” Bram brulde de naam van zijn kind. Daarna siste hij: “Godverdomme, jongen, waar ben je?!”’

Uitroeptekens en hoofdletters blijken onvoldoende om brullen uit te drukken, opeenvolging van handelingen heeft voegwoorden nodig. Het recht op terugkeer loopt zo nogal wat vertraging op. De toon is niet onaangenaam, maar niet geheel geloofwaardig wanneer het om de diepste vaderlijke smarten of de hoogste nationale veiligheidsrisico’s gaat. Ook inhoudelijk bevat de roman nogal wat ongeloofwaardige elementen. De getallenmanie bij typische gamma Bram is een bizarre wending die later – en dat is het idiote – niet eens zo idioot blijkt; de rust die de hulpverlener en detective in het bijna doodgestresste Israël uitstraalt en het gemak waarmee hij zich voor de Shabak inzet, zijn bovenmenselijk. Maar misschien vermag het vaderschap alles, of is er daadwerkelijk een eigenaardige universele orde, waarin een zelfmoordenaar familie kan zijn van de redder van de waanzinnige Bram en het verliezen van kinderen tot het ontvoeren van kinderen en tot terreur aanzet.

Het recht op terugkeer is een goedvertelde roman, Amerikaans, groots in achtergrond en opzet, dat een lange periode, een groot geografisch gebied en alle registers van de menselijk emoties poogt te bestrijken. Het is een De Winterroman, met sympathie voor de V.S., betrokkenheid met Israël, het verlies van een kind als drijvende kracht en thrillerelementen als geheime diensten en de naderende ondergang van het land. Het is, ten slotte, geen geslaagde roman, want waar De Winter inzet op een allesomvattend plot, zijn de verbanden tussen de verhaallijnen verre van vanzelfsprekend en de toon is al te kalm voor de thema’s, de stijl vertraagt. Wat resteert is hoop, en alhoewel dat voor de personages in dit boek genoeg lijkt te zijn, volstaat het niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *