Woensdag, 1 februari, 2017

Geschreven door: IJzelenberg, Catharina
Artikel door: Trouwborst, Jannie

Het ruisen van de zee

De Watersnoodramp is nog steeds niet voorbij

[Recensie] In Ouwerkerk, bij het Watersnoodmuseum, staat een Monument voor de 1836 mensenlevens die de Watersnoodramp in 1953 eiste. Elk jaar houdt men hier op 1 februari een herdenkingsbijeenkomst voor de slachtoffers. Dat ook het leven van hun families voorgoed veranderde, wordt wel eens vergeten. Op 4 februari a.s. presenteert Catharina IJzelenberg haar debuut Het ruisen van de zee op deze toepasselijke plek. Ze was vier jaar toen ze zelf de Ramp meemaakte en ze weet hoe dat de rest van een leven kan bepalen. Haar roman maakt dat haarfijn en pijnlijk duidelijk.

Er zijn in de loop der tijd behoorlijk wat boeken over de Watersnoodramp verschenen. Allereerst non-fictie, waarvan het fotoboek De Ramp uit 1953 met sprekende zwart-wit beelden wel het bekendste is. Zestig jaar later gaat het vooral om de achtergronden en feiten die ondertussen boven water gekomen zijn en verschijnt De ramp: een reconstructie van de watersnood van 1953 van Kees Slager.
Aan een roman over zo’n beladen onderwerp beginnen aanvankelijk niet zo heel veel schrijvers: Jan den Hartog – De kleine ark in 1953 en Arie van de Lugt – God schudde de wateren in 1958 zijn de eersten. Pas in 1993 schrijft Gerda van Wageningen Toen de dijken braken. Na 2000 was het blijkbaar lang genoeg geleden om de Ramp volop in romans een rol toe te kunnen bedelen. Margriet de Moor – De verdronkene (2005) en Rik Launspach – 1953 (2009) gaven daar bijvoorbeeld elk op een totaal andere manier invulling aan.

En nu is er dus Het ruisen van de zee van Catharina IJzelenberg. Voor mij op dit moment de meest complete roman met de Ramp als basis. De titel van het debuut is veelzeggend: het ruisen van de zee is altijd aanwezig in het leven van de hoofdpersoon. Het kleurt zijn herinneringen, roept ze op als hij langs de vloedlijn wandelt en het ruist in de schelpen die hij vindt op het strand. Maar het gaat nog dieper: zijn levenswandel wordt op een onbewust niveau bepaald door het eeuwige ruisen van de onvoorspelbare zee op de achtergrond.

Hoofdpersoon van het boek is Anton Reinier, een vrijgezelle leraar Nederlands van 55 jaar, die op 10 jarige leeftijd zijn vader zag verdrinken tijdens de rampnacht. Hij groeit als enig kind op bij zijn streng gereformeerde moeder. Geheel naar de tijdgeest van die jaren en door de onmacht om met emoties om te gaan, spreken ze niet meer over het verlies. De twee hebben een hechte band, maar Anton voelt toch de behoefte te vechten voor een eigen identiteit. Hij vertrekt naar de stad om er te studeren. Als ook zijn moeder overlijdt, gaat Anton in het ouderlijk huis in Nieuwerkerk wonen en wordt leraar in Zierikzee. Hij is niet ongelukkig, Zijn leven kabbelt voorspelbaar voort, totdat een nieuwe leerling (Claudia) voor hem staat en herinneringen aan zijn vader hem overspoelen. Hij herbeleeft het fatale moment waarop hij hem zag verdrinken. Anton beseft dat hij zijn emoties al die tijd heeft weggedrukt. En hij vraagt zich af of Claudia hem wellicht kan helpen om zijn trauma te verwerken.

Archeologie Magazine

Het heden en de herinneringen wisselen elkaar af in losse hoofdstukken. Daarbinnen wordt de chronologie aangehouden, zodat de beide verhaallijnen uiteindelijk heel vanzelfsprekend bij elkaar komen. De spanning in het verhaal wordt gedragen door de hoofdstukken in het heden: hoe ontwikkelt zich de verhouding met Claudia, wat brengt zij bij hem naar boven? Hij herkent haar behoefte haar eigen beslissingen te nemen. Kan hij haar daarbij helpen?
Op bepaalde punten is haar levensloop een spiegeling van de zijne. Het verhaal over het verleden beschrijft naast het trauma van de Ramp ook een coming-of-age proces. Niet alleen moet hij zich proberen los te maken van de (logischerwijs) zeer hechte band met zijn moeder. Hij worstelt tegelijkertijd met het geloof. Heel subtiel en nergens provocerend weeft Catharina IJzelenberg zijn uiteindelijke afwijzing van het geloof van zijn moeder door het verhaal: een voor beiden pijnlijk proces.
Misschien is daar nu eindelijk de tijd rijp voor: de terechtwijzingen naar de overlevenden vanaf de kansel kort na de Ramp (‘eigen schuld door zondig gedrag’) hebben niet bijgedragen aan de verwerking van deze diep tragische gebeurtenis. In dit boek maakt het verwerpen daarvan een belangrijk, maar onnadrukkelijk deel uit van het verhaal over Antons worsteling om zijn eigen weg te kiezen.

Deze roman is voor mij compleet omdat, naast de historische feiten, vooral de gevolgen voor de mensen die het meemaakten volledig tot hun recht komen. In een interview vertelt de auteur dat ze geput heeft uit haar eigen herinneringen en daar een fantasievolle draai aan heeft gegeven. Ook zij verloor haar geloof en maakte mee hoe de Ramp voor haar ouders en grootouders een heel leven meeging. Haar hoofdpersoon moest echter een man zijn, want anders kwam het allemaal te dichtbij. “Ik heb het verdriet van toen gestalte willen geven”. En dat heeft ze in deze goed geschreven roman uitstekend gedaan. Ingetogen en integer, realistisch maar ook fantasierijk, empathisch zonder een spoortje sentimentaliteit. Een heel knap debuut!

“Stil stond ze naast hem. Haar oogjes schitterden als de zon op het water bij prachtig zomerweer. Hun haren wapperden in de wind. Kalm stroomden de golven over het strand. Het was eb. De zee had zich teruggetrokken.”

Eerder verschenen op https://mijnboekenkast.blogspot.nl/