Vrijdag, 20 december, 2019

Geschreven door: Onbekend
Artikel door: Lierop, Tea van

Het verdriet van de engelen

“De wrok van de bergen”

“Nu zou het mooi zijn om te slapen tot de dromen in de hemel veranderen, een stille hemel zonder wind, een paar engelenveren die omlaag dwarrelen, verder niets afgezien van de zaligheid van datgene wat van zichzelf geen weet heeft.”

[Recensie] Dit tweede deel van de trilogie valt uiteen in twee gedeeltes. Het eerste deel Hemel en hel eindigde met het min of meer stabiele leven van de naamloze jongen. Het verdriet van engelen ‚Äď wat een schitterende titel! – speelt zich af in de kleine dorpsgemeenschap. We zien Jens, de postbode, terugkeren van zijn loodzware tocht door de sneeuw, hij zit vastgevroren aan zijn paard. We¬†volgen de jongen tijdens zijn werkzaamheden bij Geirthrud en Helga en we zien hem hunkeren naar vrouwelijk schoon. Ook in dit deel is overdrijving een van de stijlfiguren. Dit maakt de lezer, mij tenminste wel, tijdelijk tot een nietig wezen.
 
“Ze waren niet zo lang in het hotel gebleven. De jongen had bijna vierhonderdduizend kilometer afgelegd om een schouder te kussen, een oorlelletje, en werd vervolgens zelf gekust. Toen hij weer bij zinnen was gekomen, zat hij naast Helga aan tafel, die de kaarten neerlegde en zei: ‘Zo, zo, nu gaan we.'”
 
Het tweede gedeelte beschrijft de huiveringwekkende tocht van Jens en de jongen. Deze tocht vol hindernissen is werkelijk schitterend beschreven en voert langs de meest afgelegen plekken van het besneeuwde IJsland met alle obstakels die in dat onherbergzaam gebied nu eenmaal voorkomen.
De kracht van deze vertellingen zit in het contrast tussen het rauwe van de omstandigheden en het po√ętische en filosofische van de dialogen, ontmoetingen en gedachten van de personages.
In de cursief gedrukte proloog spreken de doden. Zij vertellen hun herinneringen zodat er niets verloren gaat. Mooie gedachte is dat, door gedichten komen die opgeslagen herinneringen tot ons, de levenden. Eigenlijk kijken we naar een wereld van jaren geleden. Literatuur geeft de jongen, net als in het eerste deel, houvast. Een van zijn taken is het voorlezen aan de oude blinde kapitein. Van hem is de verzameling boeken, een stuk of 400. De jongen leest Othello aanvankelijk zonder bezieling voor, flink oefenen is de boodschap en Engels leren. Dat doet hij, het is een pientere, leergierige jongen en net wanneer hij op het punt staat iets op te steken van de lessen van Gisli, de dronken rector, moet hij op pad met Jens. Naar het einde van de wereld. Omdat Jens watervrees heeft, moet de jongen mee en dan begint de barre tocht. Met proviand en drie posttassen gaan ze op weg. Warm aangekleed ook. Dit tweede gedeelte is veel meer dan een reisbeschrijving. Het gaat over vertrouwen, vriendschap, liefde, de dood, de barre elementen en moed of het gebrek daaraan. De jongen ‚Äď je kunt de hele trilogie zien als zijn coming-of-age ‚Äď krijgt het zwaar te verduren. De watervrees van Jens blijkt niet overdreven, het wordt in het begin van de tocht direct spannend en vergt het uiterste van de jongen, niet alleen fysiek. Zijn optreden wordt hem in dank afgenomen. Een postbode is een graag geziene gast in een afgelegen gebied, ze zijn van harte welkom geheten bij de schaarse bewoners. Er zijn heel bijzondere ontmoetingen bij, zoals een paar kinderen die dolblij zijn met een vel wit papier dat ze van Jens krijgen om er naar believen op te tekenen. Dit was nog nooit vertoond, voorheen mochten ze alleen hoekjes van een brief gebruiken. De moeder van de kinderen vraagt de jongen of hij de volgende keer een paar boeken voor haar wil meenemen
 
“‘ Ik zag hoe je las’, zegt ze alleen maar en ze maakt haar lippen met haar tong vochtig, ze zijn gesprongen alsof de tijd er met grof schuurpapier overheen is gegaan. Ze wendt haar bruine ogen niet af van het gezicht van de jongen. ‘Kies die boeken uit,’ zegt ze een beetje hees, ‘die‚Ķ anders zijn‚Ķ waar de woorden niet stom op de bladzijden zitten, maar opzweven en ons vleugels geven, zelfs al is de mensen de lucht niet gegeven om te vliegen.‚Äô”
 
Het woord ‚Äėopzweven‚Äô past zo prachtig bij de titel Het verdriet van de engelen en de engelenveren van de levenlozen in de proloog. Indianen in Noord-Canada zeggen dat er engelentranen vallen wanneer het sneeuwt.
 
Het verhaal krijgt een bizarre wending wanneer de postbode gevraagd wordt een bijzondere missie te vervullen. Lees vooral zelf wat er gebeurt en ervaar hoe het is wanneer je denkt dat je niet meer tot de levenden behoort, maar dan tot de ontdekking komt dat het wél zo is. Ook in dit deel wordt veel gesproken van hemel en hel, van de duivel en is bijgeloof heel normaal, net als drankmisbruik. Vrouwen hebben het helemaal niet gemakkelijk met de ruwe zeebonken als enig gezelschap. Gelukkig zijn er ook nog vrouwen met power en mannen met een goede inborst. Uiterst gevoelig is de gedachtestroom van de jongen wanneer hij terugdenkt aan zijn vader, zijn moeder, zijn zusje en broer. Keer op keer komt hij hier op terug en het is heel triest dat deze eenzame jongen in deel 1 zijn beste vriend moest zien sterven door de kou, de vergeten jas en de dichtregels….
Ik heb dit deel met veel genoegen en bewondering gelezen en ga verder met deel drie.
 
Over de auteur
 
J√≥n Kalman Stef√°nsson (1963) werd geboren in Reykjav√≠k. Hij behoort tot de grootste Europese schrijvers van deze tijd.In een po√ętische en beeldende stijl schrijft hij over IJsland. Stef√°nsson werd genomineerd voor de Nordic Council Literature Prize en won de IJslandseliteratuurprijs en de Per Olov Enquistprijs. [Bron: amboanthos.nl]
 
 
Eerder verschenen op metdeneusindeboeken