Dinsdag, 29 oktober, 2019

Geschreven door: Solomon, Sheldon
Greenberg, Jeff
Pyszcsynski, Tom
Artikel door: Aghina, Bas

Hoe de dood ons drijft

Overleven, doorleven en voortleven

[Recensie] “Nothing certain but death and taxes”, zeggen de Engelsen. Maar waar wij bij de laatste  deze zekerheid zelf kunnen invullen, belasting kan zelfs worden teruggegeven, zijn wij bij de eerste overgeleverd aan – oh, ironie – de ultieme onzekerheid. De uitdagingen die het doodsbesef sinds mensenheugenis opleveren zijn immens. Zonder (echt) te overdrijven kan zelfs worden volgehouden dat cultuur één grote poging is de angst voor ons (mogelijk) niet meer bestaan te duiden, bezweren en te verwerken. “Leer omgaan met de dood. Daarna is alles mogelijk”, schreef Camus in zijn dagboek. De daaruit voortvloeiende zucht naar onsterfelijkheid begint bij de oudste geschreven geschiedenis van Gilgamesj op zoek naar een verjongende plant en heeft vandaag de dag onder andere geleid tot mensen, waaronder honkballer Ted Williams, die hun complete lichamen laten invriezen zodat deze op een later tijdstip – en als wij daartoe dan in staat zijn (!) – deze weer tot leven te wekken, voor de slordige prijs van een starterswoning buiten de Randstad.

In een even lijvig als gedegen overzichtsboek tonen psychologen Sheldon Solomon, Jeff Greenberg en Tom Pyszcsynski aan op basis van meer dan 500 studies gedurende meer dan 30 jaar hoe de impact van angst voor de dood universeel, verstrekkend en alomtegenwoordig is in onze dagelijkse gedachten, gevoelens, overwegingen en handelingen. Begonnen vanuit een gedeeld enthousiasme voor Ernst Beckers The denial of death (1973) hebben deze psychologen na ruim 30 jaar hun zogenoemde Terror Management Theory onderbouwd door talloze studies, ook van anderen.

Grafmonumenten

Geschiedenis Magazine

Met het leren in tijd vooruit te denken en de groei van het zelfbewustzijn, is in de mens ook de angst ontstaan dat het (hier) eens afgelopen kan zijn. De impact van dit besef, de impact hiervan is veel groter dan gedacht. Zo blijken oude grafmonumenten in het Midden-Oosten het startpunt te zijn geweest van grotere nederzettingen en de bijhorende landbouw in plaats van dat deze uit puur praktische overwegingen zijn ontstaan. Ook vindt het gebruik van zoiets praktisch als geld bijvoorbeeld haar oorsprong in de rituele handeling van grafgiften die welzijn voor de overlevenden en de stam moeten opleveren. “Rituelen, kunst, mythe en religie zijn (…) producten van menselijke vindingrijkheid en verbeelding waren essentieel voor de manier waarop de vroege mens leerde omgaan met een uniek menselijk probleem: het besef van de dood.” Vandaag de dag strekt de invloed van dit probleem zich uit tot in rechterlijke uitspraken (nee, niet eens over de doodstraf), onze verhouding tot dieren, de keuze van genotsmiddelen en zelfs zonnebrandcrème.

Solomon, Greensberg en Pyszcsynski zien dat de negatieve impact van het doodsbesef sterk verbonden is met ons vermogen tot zelfwaardering binnen een (eigen) culturele context. Hoe minder sterk onze zelfwaardering en bewustere waardering van ons wereldbeeld is, des te sterker doodsangst ons levensgeluk hindert. Zo blijkt uit onderzoek bijvoorbeeld dat de borgsom van rechters significant hoger uitvalt als zij net daarvoor over hun eigen sterfelijkheid hebben nagedacht, dan de borgsom van rechters die dit niet hebben gedaan. Onbewust maakt een wetsovertreding grotere inbreuk op het dieperliggend wereldbeeld vol opvattingen over het belang van het naleven van wetten. Deze inbreuk schaadt zo de bestaanszekerheid en moet dus strenger bestraft worden. Confrontatie met sterfelijkheid maakt over het algemeen dat mensen kiezen voor de veiligheid van hun wereldbeeld. Wat dit bedreigt, doet afbreuk aan deze verdedigingslinie tegen de angst er eens niet meer te zijn.

Maar de meesten van ons denken toch niet dagelijks aan de dood? Inderdaad, dat komt doordat er twee verdedigingslinies zijn: naast de proximale verdediging, het bewuste verstand dat het doodsbesef bevraagt en wil begrijpen, is er de distale, impliciete, onbewuste lijn vanuit ons wereldbeeld, die onze zelfwaardering en zingeving levert. Het is als een lekkend dak. Pas als water op de vloer verschijnt – de verdedigingslinie van zelfwaardering dus doorbroken wordt door bijvoorbeeld confrontatie met sterk afwijkende moraal, crises zoals ziekten, baanverlies – zal het verstand ‘emmertjes’ neerzetten met vragen, analyses en verklaringen om de binnendruppelende doodsangst op te vangen.

Doodsbesef

Het boek eindigt met strategieën hoe met het doodsbesef om te gaan. Meestal kiezen mensen uit twee opties: de makkelijke, moreel ‘harde’ weg zich terugtrekken op het eigen wereldbeeld (met alle polarisatie in ‘-ismen’ tot gevolg). Of voor de open, tolerantere, moeilijkere weg vol onzekerheden en risico’s voor het levensgeluk. Terecht stellen de psychologen een tussenweg voor, een die ligt in bredere levenskunst, al wordt deze (te Europese?) stroming niet bij naam genoemd. De auteurs zitten wel expliciet op de lijn van klassieke levenskunstenaars van Epicurus, Lucretius en geestverwanten, die met hun ‘modern’ atomaire wereldbeelden en psychologisch pragmatisme lijken aan te sluiten op de wereldbeelden van Solomon, Greenberg en Pyszcsynski.

‘Hoe de dood ons drijft’ is een gedegen, prikkelend geschreven en multidisciplinair boek, dat zo eigenlijk ook bewijzen aanlevert voor Montaignes stelling ‘Filosoferen is leren te sterven’. Of is het misschien juist andersom? Sterven als in ‘op de levensweg zijn naar de dood’ wordt ‘leren filosoferen’, dwingt ons allereerst tot nadenken over hoe wij dit leven hier waardevol maken. Ten tweede, welke vorm van doorgaan na het doodgaan zouden wij ons kunnen voorstellen als onderdeel van verklaring en zingeving, als remedies voor psychisch leed. Is dat symbolisch (in ‘nagelaten werken’), sociaal (in gedachten van anderen), via onze genen, of toch (ook) ‘ouderwets’ in een vorm van continu bewustzijn? Gelukkig bijna spreken Solomon, Greenberg en Pyszcsynski – zelf geen therapeuten, filosofen, priesters of kunstenaars – zich over deze opties niet expliciet uit en laten dit aan de lezers over.

De vraag naar onze eigen levens, cultuur en geschiedenis, zou breder moeten zijn dan alleen de vraag naar wat wij vrezen, maar ook naar wat ons rijker maakt. Laten wij hopen dat dit nieuwe vakgebied van de terror management theory samen met levenskunstfilosofie – en cultuur in het algemeen – leidt tot meer wegen naar antwoorden op de vraag: hoe maken wij van overleven voortleven?

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles