Maandag, 28 oktober, 2013

Geschreven door: Godijn, Wouter
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Hoe ik een beroemde Nederlander werd

Geschiedenis, pardon literatuur maken

Wouter Godijns Hoe ik een beroemde Nederlander werd is een gek boek over aandacht, schrijverschap, heldendom, liefde en fascisme. Gek, dat is in dit geval goed, maar is het goed genoeg? Het boek begint met een fantasierijk jongetje dat op snoeken vist, wiens moeder voor zijn ogen verongelukt, en via de liefdesrelaties van de verteller (de ik, een schrijver), diens Afrika-avontuur, een ware queeste om de prinses te redden, argumenten tegen het fascisme en de gijzeling van een populistische politicus belanden we – voorlopig – bij het antwoord op de vraag van de titel: zo werd de ik een beroemde Nederlander. Maar dit boek is gekker en vloeiender dan die samenvatting.

Mijn eerste indrukken waren minder positief. God, niet weer een boek over een jongetje dat volwassen wordt, met kneuterige überniederländische visscènes, met fonetisch weergegeven gedachten.

‘Zijn blik stak de sloot over, hipte wat rond (ben een mus geworre) tussen de volkstuintjes aan de overkant van het water (als er een goeie storm komp lasert dat schuurtje só uit ulkaar kijk die kasse voor tomatuh seker die frouw hep wel een érg dikke kont), snuffelde even aan de elektriciteitsdraden boven de spoorlijn daarachter en begon vervolgens op te stijgen, almaar hoger, tot hij bleef rusten op de “berg” – eigenlijk niet meer dan een hoge heuvel, ten westen van de stad.’

Later in het boek begreep ik ook niet helemaal waarom personen Wilders en Máxima als personages herkenbaar moesten zijn, maar niet bij hun eigen naam genoemd worden. En tijdens de eerste drie hoofdstukken, die op z’n best een al te zelfbewuste coming-of-agevormen, is de verteller nog eens zeer aanwezig:

Geschiedenis Magazine

‘We zijn nu toe aan een scène die, als je de dagenlange nasleep niet meerekent, hooguit drie minuten heeft geduurd. Maar er is iets vreemds mee aan de hand: het lijkt alsof de scène nooit helemaal is geëindigd, alsof hij altijd – weliswaar steeds verder vervagend – op de achtergrond van Wilfrieds bestaan aanwezig is gebleven.’

Storend, overbodig. En dan: de verteller die uitlegt dat hij een writer’s block heeft. Cliché. Maar dan begint je beeld van het boek te kantelen. Net als in Het ware leven, een roman, de vorige roman van Ilja Leonard Pfeijffer (Godijns concurrent bij de AKO-jurering), wordt het een boek óver literatuur. Of tenminste, over hoe we verhalen verzinnen, hoe we noodzakelijkerwijs in het middelpunt ervan komen te staan. Hoe zielig we zijn, hoe heldhaftig, hoe beroemd in potentie. Dus gaat de ik, de aan lager wal geraakte schrijver, teloor in Afrika. Gaat hij gênant onderuit in liefdesrelaties. En komt hij in de positie zijn anti-fascistische betoog in de praktijk te brengen. Want Vaandels (Godijns versie van Wilders) staat voor de deur:

‘Ik stond op het punt een volkomen nieuw, baanbrekend concept te introduceren in de Nederlandse letteren.
Realityliteratuur!
Met een kinderlijk eenvoudige beweging vlijde ik het messenlemmet tegen Vaandels’ keel. Ik zag er een druppel hartenbloed af glijden die vervolgens een verrassend decoratief, purperrood vlekje maakte op de hagelwitte boord van zijn overhemd.
Ik voelde dat ik glimlachte, helemaal niet zo onvriendelijk, eerder geamuseerd.’

Hier kan de ik geschiedenis, pardon literatuur maken. Maar daar blijkt Godijn, die zijn verteller al liet corresponderen met een Saskia Noort-achtige collega, wel degelijk met spanning om te kunnen gaan. Cliffhanger en… hop, we zijn weer bij dat jongetje van die snoeken, inmiddels een loser eerste klas die de prinses moet redden van een mysterieuze berg.

Godijn begint telkens met ruimhartige inleiding en commentaar aan een genre – coming-of-age, politiek essay, politieke thriller, fantasy – en dus lijkt het of dit een boek over schrijverschap is. Nog veel meer echter laat hij het kinderachtige zien van zijn personages, het zoeken naar erkenning en liefde, het schematische denken in goed en kwaad, held en boef, gek en normaal, het vissen op reuzensnoeken. Fictie is daarbij een middel, niet alleen van schrijvers, maar van alle kleine jongetjes (en meisjes) van 8 tot 88.

Hoe ik een beroemde Nederlander werd is een gek boek, door de collageachtige opbouw, maar door de identificatie van de verteller-schrijver met de ik ontstaat er één verhaal, hoe bizar ook. En het is goed geschreven, met mooie beelden van rondhippende blikken en iets als ‘het halletje met de kapstok waar de jassen zich verdrongen als dieren rond een voederbak’. Ja, dit staat terecht op de toplijst van de AKO-Literatuurprijs. Maar een winnaar?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *