Vrijdag, 3 januari, 2020

Geschreven door: Martens, Hedda
Artikel door: Heumakers, Arnold

Iemandsland

Vijftig mini-verhalen, lees er bij voorkeur één per week

[Recensie] “Experimentele ego’s,” zo noemt Milan Kundera romanpersonages in De kunst van de roman (1986). Ze lijken op hun auteur, maar wijken er ook van af, ze vertegenwoordigen mogelijkheden die kennelijk in hem of haar besloten liggen – anders hadden ze niet bedacht kunnen worden. Niet minder dan vijftig van zulke experimentele ego’s komen we tegen in Iemandsland, het nieuwe boek van Hedda Martens, bestaande uit vijftig korte verhalen, waarin telkens een nieuw personage wordt geïntroduceerd als “iemand,” die “al tijden een nieuwe bril nodig” heeft of die “altijd [heeft] willen vliegen” of die “al op jeugdige leeftijd van huis [is] weggelopen” – om mij nu even te beperken tot de eerste drie.

In feite gaat het om mini-verhalen, zelden langer dan drie à vier bladzijden. Op het omslag staat een tekening van James Ensor, Étude de personnages, en ook dat is van toepassing op deze bundel, gevuld als hij is met ‘studies’ oftewel schetsen van personages. Op een meer interpretatief niveau zou je kunnen denken aan een postmodern ego, waarbij het postmoderne hierin zit dat dit ego beschikt over een royale hoeveelheid verschillende ‘ikken’. Niemand valt helemaal samen met zichzelf, en dat onooglijke verschil wordt door Hedda Martens met verve geëxploreerd. Vandaar de opvallende overeenkomsten tussen de diverse ‘iemanden’, de constanten in de variatie, die het zo uiteenlopende geheel samenhang en karakter geven.

Bijna steeds zijn het schuwe binnenvetters, met lichtelijk misantropische trekken, zij het meestal zonder de energie of de boosaardigheid om daaraan actief gehoor te geven. Vaak hebben ze moeite om de moderne tijd bij te benen, en alle veranderingen waarvan zij de zin niet inzien. Zij geven de voorkeur aan hun herinneringen of hebben een afkeer van mensen die “al te familiair” worden. En zelden zitten ze in de auto; ze prefereren het openbaar vervoer, de bus en de trein, of de eigen fiets.

Ook is een zekere paranoïde inslag hun niet vreemd (“Iemand merkt steeds vaker dat andere mensen dingen van hem weten die hij zelf niet doorheeft”) of zij zijn op een andere manier “zenuwpatiënt”: iemand heeft een hekel aan gewoontes, iemand kan het niet laten zichzelf te verontschuldigen (zelfs tegenover de minnaar die er met zijn vrouw vandoor is gegaan), iemand kan er steeds minder tegen dat hij “onophoudelijk afval produceert” en begint papier te beschrijven met zijn gedachten en belevenissen, aan beide zijden en in een zo klein mogelijk handschrift, omdat dit als vrijetijdsbesteding aanzienlijk minder afval oplevert dan “knutselen, timmeren of schilderen” – een origineler motief om te gaan schrijven ben ik nog niet tegengekomen!

Scènes

Een anarchistisch te noemen kant daarentegen wordt onthuld in het verhaal over iemand die bij brand in een belendend perceel weigert zijn eigen huis te ontruimen, en terwijl iedereen op straat staat te kleumen klimt hij op het dak om daar op zijn gemak te genieten van het zicht op de vlammen. Een verwante, bijna solipsistische kant komen tegen in het verhaal over de fietser en zijn hermetisch gesloten regencape: “Het zoemen van de banden, het tikken van de regen op de cape, het zicht naar links en naar rechts, achteruit zelfs, via de forse zijspiegel die zijn fietsenmaker op het stuur heeft bevestigd – wonderbaarlijk onaantastbaar en compleet beweegt hij zich van nu af aan voort in een ritselend universum dat hij persoonlijk bestuurt: zelf onzichtbaar, maar alles ziende.”

Natuurlijk moeten we niet te ver gaan met het toeschrijven van alle eigenschappen en eigenaardigheden aan één ideaaltype: niet de esprit de géométrie, maar de esprit de finesse regeert in dit Iemandsland. Dat blijkt ook uit de stijl, misschien wel Martens’ sterkste troef. Haar beschrijvingen zijn binnen het korte bestek (dat om grote lijnen vraagt) bij voorkeur zo concreet en beeldend mogelijk; haar taal is secuur en afgemeten, haar toon gedempt en sfeervol.

Passend bij de esprit de finesse is de aandacht voor het detail, die we behalve in de stijl ook in de preoccupaties van de personages terugvinden. Met als hilarisch hoogtepunt het verhaal over iemand die vervuld is van ‘respect’ voor huishoudelijke apparaten. Dat komt neer op een mengeling van vrees en sympathie, waarbij vooral het laatste een bijna maniakaal oog voor details verraadt: “Die compacte wieltjes! Die afgeronde hoekpunten! De reflecterende lampjes, met rubber bedekte knopjes, de uitneembaarheid, afwasbaarheid, instelbaarheid, de metamorfoses van kloppen naar klutsen naar mengen, van sproeien naar stoom, van malen naar persen!” Hier lijkt een op hol geslagen huisvrouw aan het woord, al moest ik ook even aan Nicolaas Matsier denken.

Hedda Martens wekt wel vaker de indruk een vrouwelijk alter ego van Matsier te zijn. Maar dat zou ook kunnen komen doordat zij ditmaal uitsluitend over mannelijke personages schrijft, terwijl de continuïteit met haar beide vorige boeken (waarin de hoofdpersonen, als ik het mij goed herinner, vrouwen waren) toch niet minder in het oog springt. Dezelfde ingetogenheid, dezelfde stilistische precisie en subtiliteit. Tussen dit nieuwe boek en zijn voorganger Een naald op het water (1992) ligt dertien jaar, tussen dit tweede boek en het debuut Sjibbolet en andere verhalen (1982) tien jaar. Als Hedda Martens niet het vrouwelijke alter ego is van Matsier (zelf overigens evenmin een veelschrijver), dan dient zij geprezen te worden om haar maatgevoel. Iedereen die klaagt over literaire overproductie, zou haar in de armen moeten sluiten.

Maar (zoveel zal men uit het bovenstaande al wel hebben begrepen) daarvoor bestaan ook andere, betere redenen. Naast de reeds genoemde verdient vooral Martens’ meesterlijke gewoeker op de vierkante centimeter onze bewondering. Zij slaagt er telkens in binnen een paar bladzijden een bizar, ongewoon, intrigerend personage tot leven te wekken, en meestal volgt er bovendien een verrassende, ironische wending, te vergelijken met de chute of volta in het sonnet, waardoor alles net even in een ander licht wordt gesteld.

Iemand zonder vertrouwen in de meest dagelijkse gebeurtenissen, leeft “op het zorgeloze af” nadat hij door een ongeneeslijke ziekte is getroffen; iemand die niet bij anderen in het krijt wil staan en dus tot alles bereid is, schept juist daardoor verwachtingen waaraan hij amper kan voldoen; iemand vol levensangst en om die reden niet bang voor de dood, vindt zijn vrijheid als hij in een ravijn valt; een eeuwige pechvolgel lijkt opeens het geluk toe te lachen, nadat hij in de pauze van Der Rosenkavalier koffie heeft gemorst op een “rood suède laarsje”.

Er is alleen één nadeel: de beknoptheid en het terugkerend patroon geven deze verhalen ook iets eenvormigs en monotoons – tenminste wanneer je ze allemaal achter elkaar leest. Dat is dan ook niet aan te raden. Eén per week lijkt me voldoende om er geen genoeg van te krijgen. Wie zich weet te beheersen is dus met de vijftig verhalen in Iemandsland bijna een heel jaar onder de pannen.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad en op Arnold Heumakers