Dinsdag, 10 augustus, 2021

Geschreven door: Hart, Maarten 't
Artikel door: Quis leget haec?

Ik had een wapenbroeder

Macht en seksualiteit in een strak geregelde omgeving

[Recensie] Ik had een wapenbroeder is de tweede roman van Maarten ’t Hart, geschreven in 1973. Ik heb, voordat ik begon met bloggen, het merendeel van zijn werk gelezen en de grote onderwerpen die kenmerkend zijn voor zijn oeuvre zijn allemaal in dit verhaal al in de kiem aanwezig. Klassieke muziek, (afstand van) het geloof en zijn bijbelkennis, maar ook het beroep van zijn vader en zijn wetenschappelijke loopbaan komen aan bod.

Hij was namelijk bioloog en heeft als etholoog gewerkt, ofwel als gedragsbioloog. ’t Hart noemt dit boek ook een ethologische thriller en hij beschrijft hierin een situatie die door hemzelf is bestudeerd bij ratten: agressie en seksualiteit in streng hiërarchisch levende groepen.

Hij gebruikt hiervoor de setting van de militaire dienst. De hoofdpersoon Ammer Stol raakt in zijn diensttijd bevriend met Arthur Holm. Daar begint het boek echter niet, want Ammer zit in de cel. Dat is niet voor niets, want hij heeft Arthur doodgeschoten. Tijdens een schietoefening. Het boek geeft de aanloop weer naar deze tragische gebeurtenis en doet onderzoek naar het motief. Wij blijven achter met de vraag of het nu opzet was of niet.

Het verhaal bevat een aantal flashbacks en voor wie in dienst heeft gezeten is het een feest van herkenning. Marcheren, een veldloop, inspectie van de kamerwacht en de onmogelijkheid van het kader om fatsoenlijk “Geeft acht!’” te scanderen;

Wordt Vervolgd

“Een enkeling nam de houding eerste rust aan. De sergeant vloekte en schreeuwde opnieuw ‘groep’, waarna iedereen in de houding eerste rust stond.
‘Geeft… ajt’”

Ammer en Arthur vinden elkaar in dienst en er ontstaat een relatie. Ze spreken veel met elkaar en Arthur maakt vergelijkingen tussen de diensttijd en concentratiekampen. Arthur geeft aan dat hij geniet van het macht hebben over anderen als hij commando’s mag geven en hij herkent het uit zijn werk met ratten in een laboratorium. Om die ratten te doden moest hij ze in een emmer met ether doen en er een plaat op leggen:

“Dat vasthouden van die plaat is een sensatie. Je voelt je oppermachtig, je heerst over dood en leven. Vergis ik me, of is het van daar maar één stap naar gas gooien in een gaskamer en door een ruitje naar binnen kijken hoe mensen sterven.”

Vanuit het verleden komen we soms terug in het heden waarin Ammer wordt verhoord over de toedracht en aanleiding van de dood van zijn vriend. Ze zijn samen in Amsterdam geweest en waren wat stil na terugkomst op de kazerne. Bovendien is Arthur in Amsterdam gezien met een meisje. Ook weten we dat Arthur aandacht kreeg van een sergeant waardoor Ammer wel eens jaloers geweest kon zijn.

Als er, tijdens dienst, twee vrouwen het bivak inlopen worden er door de soldaten opmerkingen over gemaakt. Ammer kan er niets mee. Eigenlijk wil hij zelf een vrouw zijn en samenleven met Arthur. Zo worden er steeds meer puzzelstukjes gelegd die een aanleiding tot Arthur’s dood zouden kunnen zijn.

Weer terug in het heden mag Ammer even zijn cel uit om de begrafenis van zijn grootvader bij te wonen. Daar ontsnapt hij met behulp van een doodgraver;

“Ik ben geen doodgraver, ik graaf geen mens dood, ik ben grafmaker.”

Hij verbergt zich in een schuur en komt later een oude vriend tegen, de bioloog Maarten. Die biedt hem voorlopig onderdak. Ammer vertelt hem zijn verhaal en vertelt alles over zijn homoseksualiteit, zijn neiging tot travestie en over de gebeurtenissen die tot de dood van Arthur hebben geleid. Maarten houdt Ammer een spiegel voor door te vertellen over een meisje dat hij aan een ander kwijt raakte;

“Toen ik haar voor de eerste keer zag met haar vriend, een mooie jongen met een indrukwekkende snor, nou ja, heel anders dan ik dus, was ik ongelooflijk jaloers. Op dat ogenblik dacht ik: ik zou jullie allebei willen vermoorden, maar stel nu dat ik haar een dag later zou hebben overreden met mijn auto, zou ik dan een moord gepleegd hebben omdat ik een dag eerder dacht: ik wil je doodmaken?”

Of Ammer hier verder uitkomt moet u vooral zelf maar gaan lezen. Het is een boek waarvan ik de uitkomst al heb weggegeven, maar daar draait het niet om. Het is een verhaal over macht en seksualiteit in een strak geregelde omgeving. Wij weten nu dat het verhaal behoorlijk wat autobiografische elementen heeft, getuige de travestie van de schrijver zelf in het verleden, zijn afkomst uit het gelovige milieu, het beroep van zijn vader die ook grafmaker was, zijn werk met ratten (hij publiceerde er een wetenschappelijk werk over) en natuurlijk zijn alter ego de bioloog Maarten die Ammer een spiegel voorhoudt.

Eerder verschenen op Quis leget haec?