Vrijdag, 29 mei, 2020

Geschreven door: Porcel, Baltasar
Artikel door: Francet, Elisabeth

In galop het duister in

Shakespeariaanse familiegeschiedenis

“Was het een betovering van oktober, met zijn weke en roestige bladeren, waarboven de Notre-Dame zich bleek verheft – elke steen gehouwen met de geborduurde precisie van een hermetisme – en zich spits aftekent tegen de troosteloze grijze hemel?”

[Recensie] De ik-verteller is net ontwaakt uit een droom. De aanblik van de gargouilles op de Notre-Dame slingert hem bruusk terug naar zijn jeugd en zijn geboortedorp. Hij opent het raam, steekt een sigaret op en kijkt naar de kathedraal. Parijs is de enige plek die hem kan losmaken van zijn verleden en waar tegelijkertijd “elke gotische gevel, elk hoekje van de Seine […], elke boekhandel vol van suggestieve letters en kleuren, tot hem spreekt”, met een intieme taal die helemaal de zijne is. Hier is hij en is hij er niet. Zijn geest bevindt zich voortdurend elders, in een ander tijdperk.

In de onstuimige, Shakespeariaanse roman In galop het duister in laat de Catalaan Baltasar Porcel (1937-2009) uit de schrale wereld van zijn jeugd en de eeuwenlange overlevingsstrijd van zijn geboortedorp Andratx (Mallorca) een mythisch universum oprijzen. De geschiedenis en de tragiek van het geslacht Vadell, generatie na generatie onderhevig aan angsten en wanen, maakt hij tastbaar in dit wervelend historisch verhaal, zopas uitstekend vertaald door Frans Oosterholt.

In boekhandel Shakespeare and Company stuitte de verteller enkele dagen geleden op een geschrift waarin een Spaanse monnik uit de negentiende eeuw melding maakt van het dorp Andratx en de familie Vadell. Reeds lang wil de verteller een genealogisch overzicht opstellen van zijn voorouders. Na de dood van zijn oom, de vicaris van het dorp, erfde hij talloze paperassen: notitieboekjes, brieven, vergeelde foto’s en andere archiefdocumenten. Het geschrift van de Spaanse monnik blijkt een aanvulling daarop.

Wordt Vervolgd

De documenten maken gewag van de opkomst en het schielijk verval van het geslacht Vadell en fluisteren de verteller een verhaal van hartstocht, naijver, incest, wraakzucht en waanzin in; een verhaal dat zijn oorsprong vindt in de zeventiende eeuw, in een gehucht met smalle, duistere huizen. In de loop der eeuwen zouden de Vadells vanuit Andratx uitzwermen naar alle uithoeken van de wereld. Ook hij, de verteller, is erfelijk belast: een onstilbaar vuur woedt in hem.

Op zijn zestiende verjaardag kwam tante Amalia in zijn leven. Tijdens een zwempartijtje in een nabijgelegen waterbekken zag hij haar: ‘een vlammend beeld van furie, omlijst door de winderige ochtend’, een vrouw van eenenveertig, met wie hij nog nooit had gesproken en zelfs geen blik had uitgewisseld. Ze beleefden een uitzinnig minnespel. Pas een kwarteeuw later keerde de verteller terug naar Andratx om te snuffelen in de archieven van de familie.

In de zomer van 1678 begon de saga van het geslacht Vadell, op “een dag waarop een zuidwestenwind woei […], toen twee Moorse zeilboten met gebolde windvang hun voorsteven in de vorm van een halve maan richtten naar Dragonora, een klein, langgerekt eilandje met ruige kliffen, heuvels met hoge begroeiing en een getande rug, voor de kust van Andratx.” De wachters bliezen alarm. Het dorp raakte in rep en roer, de poorten van de weermuur werden gesloten, de donderbussen geladen en de bloedhonden opgehitst voor de strijd.

In de geschriften wordt ene Jaume Vadell genoemd. De gewezen torenwachter en galeislaaf werd door de Moren gevangengenomen en in Noord-Afrika wederom als slaaf verkocht. Hij redde het leven van zijn kapitein, de aristocraat Capovara, maar legde zelf het loodje. Uit dankbaarheid liet de edelman zijn landgoed en al zijn bezittingen na aan de familie van zijn redder. De Vadells namen ook de banier van de Capovara’s over: drie paarden op een zwarte achtergrond. In de stallen van het landgoed huisden edele dieren met trillende haren en een diepe, soevereine adem. Als een rode draad lopen zij door de familiegeschiedenis. Ook hen wacht een gruwelijk lot.

Als kind bewoonde de verteller het donkere souterrain van het landgoed in Andratx, samen met zijn immer naaiende en murmelende oma. In haar warrige verhalen mengde zij historische details met apocalyptische visioenen, waarin Moren met paarden en machines uit de Hel opstegen. In de reusachtige hal hingen portretten van zijn voorouders, voornamelijk zeelieden, landeigenaars en klerikalen. Ze strekten de armen naar hem uit en joegen hem angst aan. Het landgoed verkeerde sinds lang in traag verval en werd langzaam verzwolgen door klimop en schimmel.

Weggezakt in een kolossale oorfauteuil in de sacristie (gekalkte muren volgehangen met heiligenbeelden) zat zijn oom, de vicaris. Hij sprak over Shakespeare, over Macbeth en de honger naar macht, over Hamlet en de waanzin van de wraak. Van de vicaris leerde de verteller over een verder verleden: de tijd van het Grote Schisma van het Westen; het begin van de inquisitie; de waanzin en de terreur. Hij begon te beseffen dat de mensen in zijn omgeving, de levende nazaten van de Vadells, dingen uit de geschiedenis herhaalden met hetzelfde automatisme als waarmee ze baden: ‘zonder er aandacht aan te besteden maar overtuigd van de intrinsieke waarde van de woorden’. Ook hij, luisterend naar zijn oma en naar de vicaris, durfde zich niet te verroeren “als het spook van de angst dicht langs hem scheerde”.

Naarmate het geschiedkundig onderzoek van de verteller vordert, verdicht het duister zich. Alles wordt ingewikkelder en chaotischer, met feiten die elkaar tegenspreken. Gesmoorde kreten en verval stormen op hem af, als ruiters in een tomeloze galop. Het besef groeit dat hij geen enkele zekerheid zal vinden; zijn fundamenten gaan aan het wankelen. Hij verdwaalt in een wereld van schimmenstoeten, doodswalmen, spinrag, verschrikte ogen en maneschijn.

Is dit graven naar zijn wortels slechts een poging van de verteller om die ene, felbegeerde verbinding te bereiken? Om zijn vader, “een ijl en permanent geestelijk baken”, te begrijpen? Om het beeld van zijn ravissante moeder van weleer op te roepen? Of zullen het verleden en de voorbestemming (“het verborgen, subtiel weefsel waarvan ze gemaakt zijn”) het heden opnieuw inhalen?

Intens zinnelijk roept Porcel te midden van al dat uitzinnig geweld, een “neurotische destructie ad finitum”, zoete geuren, weelderige vormen en geĂ«xalteerd kronkelende lichamen op. In barok proza materialiseert hij angst en hunkering, dirigeert met duivelse hand zijn heidense creatie, weeft er hemelse melodieĂ«n doorheen. Barbaren veredelt hij tot aristocratische helden en antihelden, met de dood onontkoombaar op hun hielen. Porcel verzint – naar eigen zeggen – niet. Hij herschept.

Eerder verschenen op Mappalibri en op Geendagzonderboek